The New York Review of Books   | New York  

Een vergelijking tussen de Rusland-affaire en Watergate is gauw gemaakt, schrijft commentator Andrew Cohen. Maar de huidige zaak is veel ernstiger.

De 31 pagina’s tellende federale aanklacht tegen Trumps voormalige campagneleider Paul Manafort en zijn zakenpartner Rick Gates – wegens witwassen, bankfraude en valsheid in geschrifte – markeert het einde van het begin van het diepgaande onderzoek dat speciale aanklager Robert Mueller heeft ingesteld naar de banden van Trumps campagneteam met Rusland. Het voorlezen van de aanklacht op maandagochtend 30 oktober – 51 weken nadat Donald Trump tot president werd gekozen en slechts een paar uur nadat hij had getwitterd dat hij van het onderzoek walgde – betekende dat de fase voorbij is waarin bijna al het nieuws over de kwestie afkomstig was van anonieme bronnen, die allemaal een eigen draai aan het verhaal probeerden te geven. Nu is de fase aangebroken waarin we in elk geval specifieke aantijgingen over crimineel gedrag tot ons kunnen nemen. De advocaten zullen zich namens hun cliënten ontpoppen tot demagogen. En het fascinerende verhaal, waarvan de afloop ongewis is, neemt telkens een nieuwe wending.

Zo ook die maandag. Het belangrijkste nieuws was niet de tenlastelegging, maar de bekendmaking van de details van een strafvermindering die een andere voormalige campagnemedewerker van Trump, George Papadopoulos, had gekregen in ruil voor een schuldbekentenis. Zijn verklaring brengt de campagne rechtstreeks in verband met de vuile spelletjes die de Russen met Hillary Clinton hebben gespeeld. Erger nog – althans bezien vanuit het perspectief van het Witte Huis – is dat Papadopoulos al maanden zijn medewerking aan Muellers onderzoek verleent. Dat betekent dat federale onderzoekers veel meer weten over hoe het werkelijk zit met de openlijk toegegeven samenzwering tussen de campagneleiding en de Russen. Wat weet Papadopolous precies, sinds wanneer weet hij het en aan wie heeft hij het verteld? Een foto waarop hij op 31 maart 2016 met Trump en minister van Justitie Jeff Sessions aanzit tijdens een bespreking over de buitenlandpolitiek logenstraft de mededeling van het Witte Huis, later die maandag, dat hij een randfiguur is, een ‘vrijwilliger’ die aan de campagne meewerkte. In mum van tijd riekte het in Amerika ineens naar doofpot en complot.

Watergate

De vergelijking met Watergate is gauw gemaakt. Een Republikeinse president die van het padje af is. De foute types met wie hij zich heeft omringd. De vuile spelletjes. Het ondermijnen van de democratische normen. De onverschrokken journalisten die de zaak tot op de bodem willen uitzoeken. Een rechtszaak die gewoon doorloopt terwijl er nieuwe feiten naar buiten komen en Congresleden nog bezig zijn met hun onderzoek. Na ruim 45 jaar is ons beeld van de Watergate-affaire echter bepaald door de afloop, niet door hoe ze begon. Het is een rond verhaal met, achteraf bezien, een onvermijdelijke uitkomst: een schurkachtige president die oneervol aftrad. Maar zo dachten onze ouders en grootouders er in juni 1972 helemaal niet over, toen de ‘derderangsinbraak’ aan het licht kwam, of in januari 1973, toen het proces tegen de inbrekers begon. Voor hen was die tijd net zo vaag en verwarrend als deze voor ons.

Daarom is elke vergelijking met Watergate ook zo oppervlakkig. Nog afgezien van de overduidelijke feitelijke verschillen tussen de verhalen (zo zijn de aantijgingen van een Russisch complot veel ernstiger), zijn de wetgeving, de politiek en de journalistiek nu zo anders dat het geen zin heeft om te denken dat alles zich zo zal voltrekken als toen. Hoe complex Watergate ook was, het is kinderspel vergeleken met datgene waar Mueller en zijn team mee te maken hebben. Hoe gemeen de gebeurtenissen destijds ook waren, en hoezeer ook door partijpolitiek bepaald, ze zijn vreemd ouderwets vergeleken met het giftige klimaat rondom het huidige schandaal. De mogelijkheid van een afzettingsprocedure is nog niet van de baan, maar het proces wordt zelfs nog partijdiger dan in 1974.