Le Monde | Parijs

Eind vorig jaar publiceerde de Franse krant Le Monde de artikelenserie ‘De Monsanto Papers’, een onderzoek naar de oorlog die de multinational in biotechnologie Monsanto is begonnen om zijn succesproduct glyfosaat, een onkruidverdelgingsmiddel (handelsnaam: RoundUp), te behoeden voor een wereldwijd verbod. Onder meer probeert Monsanto, met hoofdvestiging in de VS, op alle mogelijke manieren het IARC kapot te maken, de VN-organisatie voor kankeronderzoek die drie jaar geleden de gevaren van glyfosaat aantoonde.

DEEL 1: Operatie Vergiftiging

‘We zijn al eerder aangevallen, we hebben te maken gehad met lastercampagnes, maar dit keer zijn we het doelwit van een georkestreerde campagne waarvan de schaal en duur ongekend zijn.’ De glimlach van Christopher Wilde verdwijnt snel. Door het raam van het hoge gebouw waar het International Agency for Research on Cancer (IARC) zijn hoofdkantoor heeft, zijn de daken van de Franse stad Lyon te zien, die zich tot ver achter zijn lange gestalte uitstrekken.

Wild is directeur van het agentschap. Hij weegt elk woord en spreekt met de ernst die bij de situatie past. Sinds twee jaar ligt zijn instituut zwaar onder vuur: de geloofwaardigheid en integriteit van het IARC worden in twijfel getrokken, de deskundigen worden belasterd en bestookt door advocaten, en de financiële situatie is ernstig verzwakt.

Al bijna een halve eeuw is het IARC, onder auspiciën van de WHO, de wereldgezondheidsorganisatie, belast met het inventariseren van kankerverwekkende stoffen. Maar nu begint het eerbiedwaardige agentschap te wankelen onder de aanval.

De vijandelijkheden begonnen op een specifieke datum: 20 maart 2015. Die dag maakte het IARC de conclusies bekend van zijn ‘Monografie 112’. De bevindingen verbijsterden de hele wereld. Anders dan de meerderheid van de regelgevende agentschappen verklaarde het IARC dat het meest gebruikte pesticide op de planeet genotoxisch is (schadelijk voor het DNA), kankerverwekkend voor dieren en ‘waarschijnlijk kankerverwekkend’ voor mensen.

Dit pesticide is glyfosaat, het belangrijkste bestanddeel van Roundup, het kroonjuweel van het Amerikaanse Monsanto, een van de bekendste bedrijven ter wereld. Glyfosaat is ook het product waarmee de hele agrochemische industrie valt of staat. Het wordt al meer dan veertig jaar gebruikt en is aanwezig in maar liefst 750 producten die door ongeveer honderd bedrijven in meer dan 130 landen worden verkocht.

Het fundament van Monsanto

Tussen 1974, toen het op de markt kwam, en 2014 is het glyfosaatgebruik toegenomen van 3200 tot 825.000 ton per jaar. Een dramatische toename die het gevolg is van het massaal overstappen op zaden die genetisch zijn gemodificeerd om glyfosaat te kunnen verdragen – ‘Roundup Ready’-zaden.

Van alle agrochemische bedrijven die getroffen zouden kunnen worden door een beperking van – of verbod op – de verkoop van het product, is er maar één waarvan het voortbestaan op het spel staat.

Monsanto, dat glyfosaat heeft ontwikkeld, heeft er het fundament van zijn economische model van gemaakt. Het bedrijf verdient enorm veel geld met de verkoop van Roundup en de bijbehorende zaden.

Toen het IARC bekendmaakte dat glyfosaat ‘waarschijnlijk kankerverwekkend’ is, reageerde het bedrijf dus ongemeen fel. In een verklaring werd het werk van het IARC afgedaan als ‘pseudowetenschap’ – het ‘selectief verzamelen’ van data, gebaseerd op een ‘vooringenomen benadering’, dat ‘na slechts enkele uren discussie’ tot de conclusie had geleid.

Nooit eerder trok een bedrijf de integriteit van een onder de vleugels van de Verenigde Naties opererend agentschap in zulke grove bewoordingen in twijfel. De strijd was geopend – althans in het openbaar.

Want in zijn eigen burelen sloeg Monsanto een heel andere toon aan. Het bedrijf wist heel goed dat een groep deskundigen van het IARC een vol jaar bezig was geweest met de evaluatie van het glyfosaat en vervolgens dagenlang had overlegd in Lyon. De IARC-procedures schrijven voor dat bedrijven die door het onderzoek naar een product getroffen kunnen worden, het recht hebben bij deze slotvergadering aanwezig te zijn.

Voor de glyfosaatevaluatie had Monsanto een ‘waarnemer’ gestuurd, de epidemioloog Tom Sorahan, hoogleraar aan de Universiteit van Birmingham, die door het bedrijf soms wordt ingeschakeld als adviseur.

In het rapport dat Sorahan op 14 maart 2015 naar zijn bazen stuurde, verzekerde hij dat alles volgens de regels was verlopen.

‘Ik vond de voorzitter, de vicevoorzitters en de uitgenodigde deskundigen erg vriendelijk en bereid om te reageren op al het commentaar dat ik leverde,’ aldus Sorahan in een e-mail aan een leidinggevende van Monsanto. Deze e-mail is opgenomen in de ‘Monsanto Papers’ – een verzameling interne documenten van het bedrijf die een rechtbank in de VS begin 2017 openbaar heeft gemaakt in het kader van lopende processen.

‘De vergadering verliep volgens de richtlijnen van het IARC,’ vervolgde de waarnemer. ‘Dr. Kurt Straif, hoofd van het monografieprogramma van het IARC, is goed bekend met de IARC-richtlijnen en staat erop dat deze worden nageleefd.’