Süddeutsche Zeitung Magazin | München

Honderdduizenden vluchtelingen proberen uit Libië naar Europa te komen. Een miljardenbusiness voor de bendes mensensmokkelaars. Een plaatselijke krijgsheer heeft de mensensmokkelaars de oorlog verklaard: met één schip, 37 mannen en ondoorzichtige motieven.

De boot is nog maar een paar meter van ons af als het mondingsvuur van een machinegeweer oplicht in de nacht. Schoten knallen, we laten ons op de vloer van de stuurhut vallen en drukken onze gezichten in de matten. Boven onze hoofden slaan kogels in. Vanuit onze dekking aan boord van de Tileel, een patrouilleschip van de Libische kustwacht, zien we op de golven van de Middellandse Zee een rubberboot met Afrikaanse vluchtelingen. Vlak daarnaast, nog geen dertig meter bij ons vandaan, ligt een speedboot waar mannen in camouflagepakken en met maskers op hun automatische geweren op ons leegschieten.

Donderdag, 6 april 2017, kort na middernacht. De aanval komt als een verrassing. Commander Al Bija van de Libische kustwacht was met de Tileel naar de vluchtelingen toe gesneld, die op weg waren van Libië in Noord-Afrika naar Italië, om hen uit de woelige zee te redden. Toen we hen bijna bereikt hadden dook uit de duisternis een speedboot op die als een schaduw op ons af vloog: mensensmokkelaars, vastbesloten controle over hun menselijke waar te houden.

Gevaarlijkste grens ter wereld

We zijn al tien dagen onderweg langs de kust van Libië, de zuidoever van de Middellandse Zee, de gevaarlijkste grens ter wereld. Volgens de Duitse regering houden zich in Libië op dat moment bijna een miljoen vluchtelingen en migranten op, waardoor het verreweg het belangrijkste doorgangsland is op de zeeweg van Afrika naar Europa. Er zouden dat jaar wel 300.000 mensen naar de Europese kust kunnen oversteken. De EU wil hen al in Libië tegenhouden.

Op de EU-top in februari 2017 in Malta hebben de regeringsleiders van de lidstaten een overeenkomst met Libië gesloten: de Libische kustwacht moet de Middellandse Zee afsluiten, de vluchtelingen opvangen en hen in opvangkampen in Libië onderbrengen. Die kustwacht bestaat ten westen van de hoofdstad Tripoli, waar een groot aantal bolwerken van de mensensmokkelaars ligt, uit één enkele boot en 37 man. Hun leider is commander Al Bija, een gevreesd krijgsheer.

Al Bija, dertig jaar, heeft een verminkte hand die hij gebruikt als een klauw. ‘Ik heb een heleboel mensen moeten doden,’ zegt hij. En hij is dol op paarden. Drie jaar heeft hij in Berlijn gewoond. Voor de een is hij een held, voor de ander een misdadiger of zelfs een moordenaar. En voor de politieke leiders van Europa is hij hier in het westen van Libië, dit desolate land zonder centrale regering, leger of politie, de enige kans om een eind te maken aan het werk van de mensensmokkelaars.

Als wij tijdens de aanval op de Tileel gehurkt op de vloer zitten, rent de commander onder een regen van kogels over het dek, schiet op de aanvallers, geeft zijn mannen dekking en schreeuwt bevelen. Om hem heen slaan de kogels van de mensensmokkelaars in de romp. Ramen gaan aan diggelen. Explosies. Geschreeuw. Mannen storten neer en blijven roerloos liggen.

Minutenlang gaat het schieten door. Dan is het opeens stil en klotsen alleen de golfjes van de nachtelijke zee nog tegen de boot.