Gazeta Wyborcza   | Warschau  

Poolse onderzoekers denken de definitieve doodsoorzaak van componist Frederic Chopin te hebben vastgesteld. Toch is het laatste woord over de kwestie nog niet gezegd.

De Poolse componist Chopin is volgens de officiële lezing aan longtuberculose overleden. Sommige wetenschappers twijfelen daar echter aan: de door zijn behandelend artsen beschreven symptomen zouden typisch zijn voor een andere aandoening, taaislijmziekte. Een paar jaar geleden kregen Poolse onderzoekers de kans om Chopins hart te onderzoeken. Onlangs publiceerden zij hun resultaten in het American Journal of Medicine. Wat blijkt: de pianovirtuoos overleed hoogstwaarschijnlijk toch aan de complicaties van tuberculose.

Frederic Chopin [in Polen geboren uit een Franse vader en een Poolse moeder] had van jongs af aan gezondheidsproblemen: diarree, buikpijn, hoofdpijn 
en steeds terugkerende verkoudheden. Ook als volwassene had hij voortdurend klachten, klachten die erg lijken op de symptomen van taaislijmziekte. De componist en pianist was mager, werd snel moe en leed aan hoofd- en gewrichtspijnen. Hij gaf bloed op, had het gevoel te stikken en was waarschijnlijk onvruchtbaar. Verder kon hij maar moeilijk trappen lopen en moest hij soms na concerten van het podium 
gedragen worden. In zijn laatste levensjaren was hij volstrekt afhankelijk 
geworden van de hulp van vrienden.

Hart gerepatrieerd

In 1831 was Chopin in Parijs gaan wonen, waar hij op 17 oktober 1849 
op 39-jarige leeftijd stierf. Zelfs voor 
de negentiende eeuw, met zijn lage levensverwachting, was dat erg jong. Begraven werd hij op het beroemde kerkhof Père Lachaise in Parijs, alleen zijn hart keerde terug naar Polen. In die tijd was het niet ongewoon dat het hart van een in het buitenland gestorven beroemdheid werd gerepatrieerd. Toch is het geval Chopin bijzonder. 
De componist was tafefoob: hij had 
een panische angst om levend begraven te worden. Tafefobie was in die 
tijd een veel voorkomende psychische aandoening: ook bijvoorbeeld Alfred Nobel leed eraan.

Na Chopins dood voerde men zijn laatste wil uit en werd zijn hart op zijn 
verzoek uit zijn lichaam verwijderd. Zijn zus Ludwika Jedrzejewicz nam het geconserveerd in alcohol (waarschijnlijk whisky of cognac) mee naar Warschau. Ze moest daarvoor stiekem de Russische grens oversteken [een onafhankelijke Poolse staat bestond toen nog niet en Warschau lag in het Russische rijk].

Het hart werd aan de zorgen toevertrouwd van de missiepaters van de Kerk van het Heilig Kruis in Warschau. Daar werd het om beurten in de sacristie, de crypte van de benedenkerk en in een van de pilaren van het kerkschip bewaard. Toen een eeuw later, tijdens de opstand van Warschau in 1944, rondom de kerk hevig werd gevochten, haalde een aalmoezenier van het Duitse leger de paters over de urn aan hem mee te geven, zodat hij die in veiligheid kon brengen. Een paar dagen later brachten de Duitsers hem alweer terug, terwijl ze de scène uitgebreid filmden voor propagandadoeleinden.