GQ | New York

Een Zweeds gezin neemt een Syrische vluchteling in huis – uit medeleven, om een kind te helpen dat zegt te zijn ontsnapt uit een IS-gevangenis. Maar gaandeweg raakt de jongen verstrikt in leugens over zijn huiveringwekkende verleden, en realiseren ze zich dat ze geen idee meer hebben wie er onder hun dak woont. 

Achter in de boot zingt een van de jongens boven het ronken van de motor uit, misschien uit blijdschap, misschien uit verveling, misschien wel uit angst – al lijkt zijn gevoeligheid voor dreiging, die sowieso al nooit zo groot was, volledig afgestompt na vier jaar oorlog in Syrië. De anderen bidden. O zee, wees genadig! zingt de jongen. ‘Hou je mond!’ zeggen de anderen. Tegen het einde van oversteek, wanneer ze Turkije ver achter zich hebben gelaten, begeeft de motor het. De jongen laat zich over de rand van de rubberboot zakken en spartelt in de richting van de Griekse kust, die een paar honderd meter ver is. Ook dit is een blijk van zijn roekeloze natuur, want het water is koud en de zee is ruw. De anderen blijven in de boot.

Een reddingswerker zwemt naar de jongen toe en trekt hem mee naar 
het strand van het eiland Lesbos. Een verpleegster brengt hem naar een tent. ‘Oké, vertel,’ zegt ze.
‘Wat wilt u weten?’ vraagt de jongen. Hij zit nu op een warme, droge plek, maar hij weet niet goed wie deze vrouw is.

‘Alles. Ik wil alles weten,’ antwoordt 
de verpleegster. De jongen zegt dat 
hij Paul heet en zestien jaar is. Hij is breedgebouwd en ziet er gezond uit, heeft stevige armen en benen, grote handen, een diepe, peinzende rimpel in zijn voorhoofd en donkere, diepliggende ogen. Hij heeft iets afstandelijks en ondoorgrondelijks, maar ook iets heel innemends, haast iets sluw. Hij praat een beetje houterig, alsof hij bepaalde feiten net uit zijn hoofd heeft geleerd, maar de verpleegster vindt zijn verhaal in grote lijnen geloofwaardig. Als christen in het door oorlog verscheurde Syrië, vertelt hij, is hij geregeld gevangengezet door jihadisten. Hij werpt een blik op de hidjab van de verpleegster. ‘Misschien bent u wel 
een van hen?’ zegt hij. Het is grappend bedoeld. De jongen heeft nooit kunnen vermoeden dat zijn eerste contact in Europa met een moslima zou zijn die Syrisch Arabisch spreekt, en hij is argwanend. ‘Ben je gek,’ zegt ze.

De vrouw is een Syrische Zweedse, 
uit Stockholm, die is gekomen om de honderdduizenden vluchtelingen en migranten te helpen die dat jaar op Lesbos aankomen. Ze gaat binnenkort weer terug naar huis en ze biedt aan om Paul te helpen daar een nieuw leven op te bouwen. Tien dagen later, op 9 oktober 2015, zit hij in Stockholm. Hij is nog heel jong en voor hem is het voornamelijk een avontuur om naar Europa te gaan, hij heeft geen echt doel voor ogen. Wel heeft hij gehoord dat Zweden bekendstaat om het ruimhartige vluchtelingenbeleid.

Niet angstaanjagend

Lina, een van de vriendinnen van de verpleegster, is arts. Zij mag de jongen graag en nodigt hem geregeld uit bij haar thuis, waar ze met haar man Otto en hun drie tienerdochters woont. (De namen van Lina, Otto en de jongen zelf zijn gefingeerd.) Ze vindt Paul ‘op de een of andere manier heel kwetsbaar en innemend,’ zegt Lina. ‘Hij wist – hoe zal ik het zeggen – precies de juiste snaar te raken, meteen al vanaf het eerste moment. Hij raakt je.’

Anderen vinden hem onhandelbaar. 
De verpleegster heeft weten te regelen dat Paul onderdak krijgt bij een andere vriendin, maar die vraagt hem na enige tijd om weer te vertrekken. Zijn slaappatroon is grillig, net als zijn stemmingen. Maatschappelijk werk plaatst hem bij een wat oudere vrouw, maar daar neemt hij al na een paar dagen de benen. In een klein opvangcentrum voor minderjarige vluchtelingen weigert Paul alles wat hem wordt aangeboden, behalve snoep en sigaretten. Hij slaat tegen de muren en gaat met anderen op de vuist. Later breekt hij de kop van een beveiligd scheermes open en snijdt zijn pols door.

Lina is in het verleden psychiatrisch verpleegkundige geweest. Zij vindt Pauls aanvallen niet angstaanjagend – ze vindt het eerder pijnlijk om van een afstand te moeten aanzien. Zij en Otto hebben het erover de jongen in huis te nemen. Niet alleen raken ze meer en meer op hem gesteld en vinden ze dat ze iets moeten doen voor de vluchtelingen die naar hun land komen, maar ook gaat het al een paar jaar niet zo lekker in hun huwelijk 
en ze vragen zich af of een dergelijk project – dat naar hun gevoel iets heel zuivers heeft, gewoon doen wat er gedaan moet worden – een springplank zou kunnen zijn voor een nieuw begin, zoals Otto het formuleert. Begin december zijn de vereiste papieren rond en neemt Paul zijn intrek bij het gezin.

Ze weten vrijwel niets over zijn verleden. Zijn Zweeds is te slecht om er gedetailleerd over te vertellen. Lina en hij ontwikkelen al snel de gewoonte om na het eten een wandeling te maken, soms lopen ze uren en uren in het licht van de straatlantaarns. Gaandeweg begint ze zich in grote lijnen een beeld te vormen van zijn leven. Paul is afkomstig uit Shadadi, een kleine plaats in de oostelijke woestijn die bijna drie jaar bezet is geweest door jihadisten. Hij was de jongste van tien broers, die allemaal – samen met zijn ouders en drie zussen – in Syrië zijn gebleven. Hij is gevangengenomen, zo lijkt het, door zowel IS als Al-Qaida, die tegen elkaar streden om de controle over het oosten van Syrië.

Paul heeft vrijwel geen bezittingen wanneer hij in Zweden arriveert. Wel heeft hij een papiertje, dat hij heel zorgvuldig heeft bewaard. Hij heeft het meegenomen uit Syrië – een paar keer dubbelgevouwen en goed weggestopt. Na een tijdje, als hij zich op zijn gemak voelt met Lina, laat hij haar het briefje zien. Hij kijkt er beschaamd en berouwvol bij, herinnert Lina zich. Hij heeft het briefje vele maanden eerder gekregen, in de gevangenis, maar hij heeft het nog aan niemand laten zien en nu is hij bang dat de schrijver van het briefje, een Amerikaanse journalist, dood is. Het briefje begint:

‘Gaat goed maar heb dringend hulp nodig. Iemand moet mijn regering duidelijk maken dat het van het grootste belang is dat ze snel handelen. Ik 
ga niet op de details in maar één ding is duidelijk. Ze kunnen nu onderhandelen over een oplossing of ze kunnen wachten, het bewust rekken. Als ze voor dat laatste kiezen zal ik er niet meer zijn om over te onderhandelen. Het is hier domweg te gevaarlijk. De mannen die mij gevangen houden zijn te grillig. Ze moeten vandaag nog in actie komen, nu meteen, en ze mogen niet opgeven tot de klus is geklaard. Oké?’