Die Zeit | Hamburg

Als negenjarige jongen zag de Duitse journalist Johannes Böhme de Elfstedentocht op televisie. Sindsdien koestert hij elke winter dezelfde hoop als wij: gaat het eindelijk weer gebeuren?’

De horizon in Friesland loopt zo recht boven het vlakke landschap dat het lijkt alsof een reus met een liniaal een lijn heeft getrokken. Een scherpe grens, die het fletse blauw van de winterhemel en het groenbruin van de velden van elkaar scheidt. De enige hobbels zijn reusachtige boerderijen, met riet gedekt, als piramiden in een woestijn van gras. En over dit alles fluit onophoudelijk de wind. Het is een landschap voor mensen van weinig woorden en met grote verlangens. Die zonder morren regen en duisternis doorstaan en hun dromen decennialang met zich meevoeren.

Dromen zoals die waar het hier om gaat. Met elke dag vorst komt hij meer tot leven. Het is de droom van het dichtvriezen van rivieren, vaarten en sloten die hier in het Noord-Nederlandse Friesland als een vroegmodern internet alles met elkaar verbinden – velden met dorpen, dorpen met andere dorpen, steden met steden. De droom dat je dan op schaatsen door dit vlakke landschap kunt glijden als een Maserati over de snelweg; moeiteloos, haast gewichtloos, alleen te overtreffen door vliegen. Het is de droom van de Elfstedentocht, een schaatswedstrijd met start en finish in Leeuwarden over een 200 kilometer lang parcours, door elf Friese steden, met meer dan 30.000 deelnemers en een miljoen toeschouwers.

1997: de kopgroep op de Dokkummer Ee, met winnaar Henk Angenent (7), Piet Kleine (63), Arnold Stam (59), Bert Verduin (22), Henk van Benthem (11), en Erik Hulzebosch (20) – © Leo Vogelzang / HH