The New York Times | New York

Wat doe je als, zoals in Polen, een populistische partij democratisch aan de macht komt? Met passie je waarden verdedigen, schrijft Ivan Krastev, maar ook je gevoel voor verhoudingen bewaren.

De tv-film Burning Bush uit 2014 van de legendarische Poolse filmmaakster en Solidariteit-activiste Agnieszka Holland was een van de belangrijkste culturele evenementen van de laatste jaren in Midden-Europa. Het is een thriller die zich afspeelt in 1969, kort nadat de Tsjechische student Jan Palach zichzelf in brand heeft gestoken uit protest tegen de Sovjetbezetting van zijn land en om de aandacht te vestigen op de pogingen van de autoriteiten om het leven in Tsjecho-Slowakije daarna te ‘normaliseren’. Palach wilde met zijn daad een eind maken aan deze banalisering van het kwaad.

Drie jaar na het verschijnen van de film, in de middag van 19 oktober, stak de 54-jarige Piotr S., vader van twee kinderen, zichzelf in brand voor het Cultuurpaleis in Warschau, dat nog uit de Sovjettijd dateert. Het protest van S. was gericht tegen het beleid van de uiterst rechtse Poolse regeringspartij Recht en Rechtvaardigheid, die in zijn ogen een dodelijk gevaar vormde voor de democratie in Polen. In een pamflet dat hij voor zijn zelfmoord uitdeelde, was hij vastberaden: ‘Ik heb de vrijheid boven alles lief en daarom heb ik besloten mezelf op te offeren; ik hoop dat mijn dood het geweten van veel mensen wakker zal schudden.’

Ik weet niet of Piotr S. ooit Burning Bush heeft gezien, maar zijn daad was zeker een echo van het offer dat Jan Palach bijna een halve eeuw eerder had gebracht. De zelfverbranding van S. leidde in Polen tot verhitte discussies. Volgens sommigen was zijn zelfmoord eerder het gevolg van een depressie dan van de politiek. Anderen vreesden dat dit de aanzet was tot een golf van dergelijke zelfmoorden en vonden dat de media niet over deze choquerende daad moesten berichten. En dan waren er nog degenen, onder wie Agnieszka Holland zelf, die S. op het schild hieven als de ware opvolger van Palach, en zijn gebaar zagen als een wanhopige poging om de Polen de ernst van de huidige situatie duidelijk te maken. ‘Vuur vernietigt,’ zegt Holland, ‘maar het verlicht ook. Net als woede.’

Lastige vragen

Dit Poolse debat onderstreept de lastige vragen waarmee de tegenstanders van populistisch rechts zich geconfronteerd zien: wat is de beste manier om te strijden tegen een regering die je verafschuwt, maar die niemand heeft vermoord, slechts weinigen (of misschien wel niemand) gevangen heeft gezet en die op een legale manier aan de macht is gekomen – maar wel een bedreiging vormt voor de liberale democratie zoals wij die kennen? Waar trek je de grens tussen leven in een democratie waarin de partij die jij verschrikkelijk vindt de vrije verkiezingen heeft gewonnen, en leven in een dictatuur waarin de oppositie misschien nooit meer wordt toegestaan om te winnen? Is de ‘normalisatie’ van populisten de grootste bedreiging voor Europa, of moeten we ook de hysterie van hun tegenstanders vrezen? En kunnen de vormen van verzet die effectief waren tegenover de communistische en fascistische dictaturen ook effect hebben tegenover de democratisch gekozen, onliberale regeringen van vandaag?

Helaas zijn er in de geschiedenis niet veel antwoorden op deze vraag te vinden. De herinneringen van degenen die de jaren dertig van de vorige eeuw overleefden – een heel goed voorbeeld is Kanttekeningen bij Hitler van Sebastian Haffner – waarschuwen voor het gevaar dat een dictatuur genormaliseerd raakt, zeker wanneer de nieuwe dictator door het volk is gekozen. Dat klinkt logisch. Maar er is ook een veelzeggend tegenvoorbeeld: in de jaren zeventig waren jonge linkse radicalen zo geobsedeerd door hun idee dat er geen grote verschillen bestonden tussen nazi-Duitsland en de naoorlogse Bondsrepubliek, dat ze totaal verkeerde keuzes maakten en soms uiteindelijk terroristen werden en vijanden van de democratie.

Wat kunnen we hieruit leren? Wie de grens wil trekken tussen democratie en dictatuur moet de passie en de bereidheid hebben om zijn waarden te verdedigen. Maar hij of zij moet ook gevoel voor verhoudingen bezitten.