The Guardian | Londen

Journalist William Leith stopte elk jaar van 1 januari tot zijn verjaardag op 30 april met drinken, maar de overige maanden had hij nooit genoeg. Tot hij vijf jaar geleden onverwacht besloot ‘toch maar niet’ opnieuw te beginnen. Sindsdien probeert hij de magische aantrekkingskracht van zijn lievelingsdrug te doorgronden.

Mijn laatste borrel heb ik vijf jaar geleden genomen, in de heel vroege ochtend van 
1 januari 2013. Het zal om een uur of twee zijn geweest. Ik zou mezelf toen niet dronken genoemd hebben. Ik zou zeggen dat ik er een paar op had. Maar ik was dronken. Als ik had geprobeerd auto te rijden of te schrijven of een praatje voor publiek te houden, had ik het er heel slecht vanaf gebracht. Niet gelukkig, maar ook niet verdrietig, hief ik het glas en slikte de drank door. Het was een soort vruchtenbowl.

Op dat moment wist ik niet dat het echt mijn allerlaatste drankje zou zijn. Ik dacht dat ik niet meer zou drinken tot mijn verjaardag op 30 april. Tien jaar lang had ik ieder jaar de eerste vier maanden doorgebracht als geheelonthouder, op twee uitzonderingen na: ik ben een keer op 27 april begonnen, omdat ik 
op een woonboot was in een haven waar ik een glas wijn aangeboden kreeg. Ik haatte mezelf vanwege die drie dagen. Ook ben ik een keer pas in maart gestopt, maar toen heb ik mezelf gestraft door acht maanden droog te staan in plaats van vier.

Maar misschien was dat droogstaan niet echt een straf, heb ik vaak gedacht. Ik vond het wel prettig. Ik sliep beter. Ik viel af. Mijn huid werd frisser. Ik voelde me echt fitter. Ik kon me beter concentreren, kon in een paar uur een boek uitlezen, mijn geest was scherper. Ik voelde me lichter, gelukkiger. Ik kwam niet meer zweterig en naar de drank ruikend te laat op afspraken. Ik had meer tijd. Ik herinner me een gesprek dat ik had na vijftien weken geheelonthouding; de man met wie ik sprak zei dat hij niet kon geloven hoe jong ik eruitzag. En dat meende hij echt. Droogstaan is de beste verjongingskuur.

En dan kwam mijn verjaardag weer, mijn drankdag. Van tevoren was ik al zenuwachtig, een vervelend gevoel omdat ik eigenlijk niet meer wilde gaan drinken, gecombineerd met het vervelende gevoel dat ik toch weer begon. In ieder geval voelde ik een drang om weer te gaan drinken; dat behoorde tot de afspraak die ik met mezelf had gemaakt, want ik wilde heel graag drinken. Ik wilde drinken om precies dezelfde reden dat ik niet wilde drinken: omdat ik een drankprobleem had. Drank leek een vreemde, verstandsverbijsterende macht over me te hebben. Op mijn verjaardag werd ik altijd wakker met het soort onrust in me dat je ook hebt voor een date of een feest. Ik zou weer gaan drinken. Vanavond zou ik in een andere wereld zijn.

Ik verlangde naar het tweede glas nog gretiger dan naar het eerste, en naar het vijfde nog gretiger dan naar het vierde