The Times | Londen

De opkomst van piepjonge leiders is helemaal geen voordeel, betoogt Philip Collins. Politici hebben ervaring nodig. ‘Wijsheid is van groot belang binnen de politiek, en toch klinkt eeuwig en altijd de roep om jeugd.’

De opkomst van Jacinda Ardern (37) in Nieuw-Zeeland en die van Sebastian Kurz (31) in 
Oostenrijk maakt duidelijk dat kiezers bereid zijn jonge leiders hun vertrouwen te schenken. Maar om een land 
te besturen is meer nodig dan een energiek wonderkind.

Sebastian Kurz, de nieuwe bondskanselier van Oostenrijk, is met zijn tweeëndertig jaar al behoorlijk oud als je kijkt naar de echt jonge leiders. William Pitt de Jongere was nog maar vierentwintig toen hij in 1783 premier werd. Door de grilligheid van de erfelijke troonsopvolging komt het voor dat vorsten al in hun kinderjaren de troon bestijgen. Koning Hoessein van Jordanië werd al op zijn zestiende gekroond, Faisal II van Irak en Gyanendra van Nepal werden op hun derde koning 
en Foead II van Egypte kwam aan het bewind toen hij nog maar 192 dagen oud was.

Bovendien is het bondskanselierschap van Oostenrijk kinderspel vergeleken bij wat sommige anderen mensen op diezelfde leeftijd hebben bereikt. Marie Curie ontdekte radium toen ze eenendertig was. Bentley zette op die leeftijd zijn eerste auto in de markt en Hilton kocht zijn eerste hotel. Prins Albert organiseerde de Grote Tentoonstelling en Monet stelde het schilderij tentoon dat het startschot zou vormen van het impressionisme. En het zou mij verbazen als Kurz ooit een album uitbrengt dat net zo goed is als The River van Bruce Springsteen.

Jong door de wol geverfd

Voor sommige mensen is het leven al afgelopen op hun eenendertigste. Schubert droeg op zijn eenendertigste de kist van Beethoven en viel vervolgens zelf dood neer. Nijinski was eenendertig toen er een einde kwam aan zijn carrière als balletdanser omdat hij werd gediagnosticeerd als ongeneeslijk krankzinnig. Alan Turing had al een paar jaar voor het bereiken van die leeftijd de enigmacode gekraakt. En dan zijn er nog de echte genieën. Kurz is natuurlijk niet het eerste Oostenrijkse wonderkind. Mozart componeerde al op zijn vijfde zijn eerste stuk dat werd uitgevoerd. Pascal had op zijn twaalfde geheel zelfstandig vrijwel alle geometrische bewijzen van Euclides rond gekregen.

Dat roept de vraag op of het überhaupt mogelijk is om een wonderkind te zijn in de politiek, want dat is Kurz allesbehalve. Los van het vervullen van zijn dienstplicht heeft hij weinig anders gedaan dan politiek bedrijven; hij heeft zelfs zijn studie rechten aan de universiteit van Wenen niet afgerond. Zijn nog betrekkelijk korte leven bestaat uit niet veel meer dan politiek. Hij is al net zo’n ervaren en door de wol geverfde politicus als Bill Clinton uiteindelijk was: hoe hij zijn handen beweegt, of hij zijn hoofd schuin houdt, het is allemaal zorgvuldig uitgedacht; zijn kleren zijn met de grootst mogelijke zorg gekozen en hij mag zich graag presenteren als iemand die veel sport.

Hij heeft zijn positie niet eens echt te danken aan zijn politieke talent. Het is eerder zo dat Kurz tot grote hoogten is gestegen op een golf van anti-migratiesentimenten. Hij heeft geprobeerd munt te slaan uit zijn jonge leeftijd en de kracht van de beeldvorming door zijn partij een ander imago te verlenen: de partijkleur is van zwart veranderd in een zachter turkoois, en de naam is veranderd in Oostenrijkse Volkspartij. Maar zijn leeftijd speelde een minder belangrijke rol bij zijn succes dan zijn niet al te sympathieke standpunten.