Hakai Magazine | Victoria, BC

De paradijselijke Kalalau-vallei op Hawaii is al sinds de jaren zestig een toevluchtsoord voor hippies, new agers en backpackers. Maar na een halve eeuw wil de overheid van de illegale bewoners af.

De eerste mens die ik ontmoet in de Kalalau-vallei is een Irakveteraan zonder schoenen maar met een door de zon gebleekte REI-rugzak, die als een trofee over zijn getatoeëerde schouders hangt. Barca – zoals hij zichzelf noemt – had gehoord dat een kajakker de rugzak in een grot aan het strand had achtergelaten. Hij ging als een speer naar de rotsen omdat hij die rugzak wilde hebben.

Bezoekers laten hier van alles en nog wat achter. Ik zie een klapstoel met een kapotte armleuning. Ergens anders een halfvol brandstoftankje. En nu dan die rugzak – het is een heuse schat.

‘Weet je hoeveel zo’n ding kost?’ wil Barca van mij weten.

In dollars, bedoel je? Hooguit tien.

‘Veel!’ antwoordt hij voordat ik ook maar iets kan zeggen.

Barca is vierendertig en hij scharrelt zijn kostje bij elkaar diep in het Nāpali Coast State Park aan de westkust van Kauai. Het middelste gedeelte van het tweeënhalfduizend hectare grote natuurpark – de Kalalau-vallei – vormt een natuurlijk amfitheater dat aan de ene kant wordt begrensd door zee en niets dan zee. De steile, groene wanden van de vallei rijzen aan drie kanten op, als gordijnen die het afschermen van de rest van het eiland. Door alle kieren en spleten lopen glasachtige banen water, die naar beneden storten van een grotere hoogte dan bij de Yosemite Falls. Dit afgelegen paradijs, waar zich honderden jaren geleden Polynesische pioniers hebben gevestigd, is niet minder dan een wilde tuin, een hoorn des overvloeds die vrijwel alles biedt wat een vernuftig mens nodig heeft om in leven te blijven. ‘Als de mens ergens een paradijs heeft weten te creëren, dan is het hier,’ zegt Barca. ‘In het avocadoseizoen eten we avocado’s. En als het mangotijd is, eten we mango’s.’

Een soort kraker

Voor wie zich mocht afvragen of het is toegestaan om hier zo te leven: het antwoord is nee. In de ogen van de Hawaïaanse overheid is Barca een soort kraker. Hij doet het milieu geweld aan, hij overtreedt wetten en regels, hij moet verdwijnen. In Barca’s ogen is dit, niet verwonderlijk, laster. ‘Als je niet met je hele wezen van deze plek houdt, kun je hier niet leven,’ zegt hij. Hoewel hij er nog maar acht maanden woont, waarmee hij naar valleimaatstaven een betrekkelijke nieuwkomer is, is hij al hard op weg een expert te worden in wat hij ‘kalalaulogie’ noemt. Niet alleen is hij afvalrecylcer, hij is ook beschermer van het land, tuinier, botanist, cultureel tolk en anarcho-theoreticus. Hij heeft de gewoonte om tijdens het praten te grijnzen en met een hand over zijn sikje te strijken. Dat geeft hem een ondeugende uitstraling, die zijn anti-establishmentopvatting nog eens extra benadrukt. Hij heeft geen goed woord over voor het groepje toeristen dat op maagdelijke gore-tex-wandelschoenen een beekje oversteekt. ‘De meeste mensen die hier komen hebben geen idee hoe ze in het wild moeten overleven,’ zegt hij. ‘Ze begraven hun eigen poep niet eens!’

Ik word nogal overvallen door alle kritiek die hij spuit terwijl ik nog maar net vijf minuten in de vallei ben – en ik kan niet al te veel hebben aangezien ik voor dag en dauw ben opgestaan om de kleine dertig kilometer hiernaartoe te lopen. Ik heb even helemaal geen behoefte aan een feestmaal van mango’s of een gesprek over toiletgang in het wild. Het enige wat ik wil is een plek om mijn rugzak neer te zetten, een rugzak waar ik tweehonderd dollar voor heb neergeteld en die ik heb volgestouwd met gevriesdroogd eten voor een week – erger kan haast niet. Maar waar moet ik slapen? Er worden geen kampeervergunningen verstrekt in het paradijs en ik had er geen kunnen bemachtigen voordat ik op stel en sprong aan deze reis begon, dus of ik het nou wil of niet, ook ik ga de regels overtreden. Ik vraag Barca of hij een onopvallende plek weet om mijn tent op te zetten. ‘Kom maar mee,’ zegt hij. Hij wikkelt een keffiyeh [Arabische sjaal] om zijn hoofd tegen de zon. Hij haalt een oud gasje van een andere kampeerplek en zegt dat hij de ideale schuilplek voor me weet. Voor ik er goed en wel erg in heb is hij al op weg, springend op zijn blote voeten van de ene kei op de andere. Ik kijk rechts van me naar beneden: de duizelingwekkende aanblik van de golven die dertig meter in de diepte stukslaan op geërodeerde stenen. Dan lopen we om een grote kei en Barca wijst op een tunnel in de struiken, die uitkomt op een kampeerplek die onzichtbaar is voor de rangers die vanuit een helikopter op wildkampeerders jagen.

Nadat ik mijn spullen daar heb neergezet, ga ik met Barca naar het witte zandstrand, waar hij me zijn levensverhaal vertelt. Na tien jaar geleden in Irak te hebben gediend, kostte het hem grote moeite om in het reine te komen met het feit dat hij mensen had gedood, en dat hij ook bijna zelf het leven had gelaten. ‘Toen ik terugkwam uit Irak had ik behoorlijk wat issues,’ zegt hij.

Hij werkte als archeoloog in Noord-Californië, maar het was hem al snel duidelijk dat hij niet echt paste in de moderne samenleving. Hij had het gevoel dat zijn hoofd, dat door de oorlogsjaren flink in de war was geraakt, rust nodig had. Het stond hem geweldig tegen om zich in een huis in een buitenwijk te verschansen, afgeschermd van zijn buren door dikke muren, om belasting te betalen en zo een systeem in stand te houden waarin hij niet langer geloofde. Zelfs de gedachte om elke ochtend een koffie te gaan halen – bij die multinational met het zeemeerminlogo – kon hij niet aan. ‘Het was zwaar om terug te keren naar het echte leven en alle onbenulligheden van alledag serieus te nemen,’ zegt hij. Hij werd boos. Hij dronk en ging op de vuist. Van een vriend hoorde hij over deze droomachtige vallei in Hawaï, waar je in het eeuwige heden kon leven. Kalalau. Hij ging erheen. Hij ging niet meer weg. ‘Ik geloof niet dat ik me ooit eerder ergens zo thuis heb gevoeld,’ zegt hij, waarna hij zijn camouflageshorts uittrekt en in de golven duikt.