The New Yorker | New York

In tegenstelling tot wat veel mensen denken is het leven, volgens antinatalist professor David Benatar, nogal afschuwelijk. Elk verweer pareert hij behendig. Het is alleen de moeite waard om te blijven leven omdat de dood een groter kwaad is.

David Benatar is misschien wel de meest pessimistische filosoof ter wereld. Volgens deze ‘antinatalist’ is het leven zo’n lijdensweg dat mensen uit mededogen zouden moeten besluiten geen nageslacht meer te verwekken. ‘Goede mensen doen er alles aan om hun kinderen voor leed te behoeden, maar lijken slechts zelden te beseffen dat er maar één gegarandeerde manier is om te voorkomen dat je kinderen leed te verduren krijgen: geen kinderen ter wereld brengen’, schrijft hij in zijn boek Better Never to Have Been: The Harm of Coming Into Existence (2006). Jezelf voortplanten is volgens Benatar intrinsiek wreed en onverantwoord. Niet alleen omdat iedereen iets vreselijks kan overkomen, maar omdat het leven op zichzelf ‘doordesemd is van leed’. Mede daarom vindt hij dat de wereld beter af zou zijn zonder bewuste levensvormen.

Better Never to Have Been heeft voor zo’n theoretisch filosofieboek een opvallend breed publiek bereikt. Het krijgt een waardering van 3,9 sterren op GoodReads, waar één lezer het betitelt als ‘verplichte kost voor mensen die voortplanting gerechtvaardigd vinden’.

Nic Pizzolatto, bedenker van de HBO-serie True Detective, las het boek enkele jaren geleden en maakte een nihilistische antinatalist van het personage Rust Cohle, gespeeld door Matthew McConaughey. (‘In mijn ogen is het menselijk bewustzijn een tragische fout in de evolutie,’ zegt Cohle in de serie.) Nadat Pizzolatto in de pers had laten vallen waar hij zijn inspiratie vandaan had, begon de doorgaans publiciteitsschuwe Benatar in interviews tekst en uitleg te geven over zijn opvattingen, die hij doordachter en humaner vindt dan die van Cohle. En nu heeft hij een nieuw boek geschreven, The Human Predicament: A Candid Guide to Life’s Biggest Questions, waarin hij zijn antinatalistische ideeën verder aanscherpt, uitbouwt en in een bredere context plaatst. Het boek opent met een motto uit T.S. Eliots Four Quartets, ‘Humankind cannot bear very much reality’, en de belofte om ‘nietsontziende’ antwoorden te geven op vragen als ‘Heeft ons leven zin?’ en ‘Zouden we beter af zijn als we het eeuwige leven hadden?’

Man met honkbalpetje

Benatar is in 1966 geboren in Zuid-Afrika. Hij is hoofd van de vakgroep Filosofie aan de Universiteit van Kaapstad, waar hij ook leidinggeeft aan het Bioethics Centre, opgericht door zijn vader Salomon, een volksgezondheidsdeskundige. (Better Never to have Been is opgedragen ‘aan mijn ouders, ook al hebben zij me op de wereld gezet’.) Buiten deze kale feiten is op internet weinig informatie over hem te vinden. Er staan geen foto’s van hem online en op YouTube-films van zijn colleges zijn alleen PowerPoint-afbeeldingen te zien. Er staat één filmpje op YouTube met de titel ‘What Does David Benatar Look Like?’ Daarin wordt ingezoomd op een korrelige foto van enkele mensen in een collegezaal, tot er uiteindelijk een pijl verschijnt bij het vage, pixelige hoofd van een man met een honkbalpetje.

Toen ik The Human Predicament had gelezen, schreef ik Benatar of ik hem eens mocht interviewen. Hij stemde meteen toe, maar stuurde nog een mail toen hij een paar van mijn artikelen had gelezen. ‘Ik zie dat je graag een portret geeft van de geïnterviewde, en niet alleen van zijn of haar werk’, schreef hij. ‘Nu is het zo dat ik erg op mijn privacy gesteld ben en het vreselijk zou vinden om mezelf zo gedetailleerd beschreven te zien als de mensen in je andere interviews. Ik zal dus niet ingaan op vragen die ik te persoonlijk vind. (En ik vind het ook niet prettig als er een foto van mij bij het artikel wordt geplaatst.) Ik begrijp het volledig als je onder die voorwaarden liever afziet van een interview. Maar als je een interview wilt afnemen waarin je daarmee rekening houdt, dan heel graag.’

Het lijdt geen twijfel dat Benatar niet van publiciteit houdt. Maar zijn anonimiteit dient ook een doel: die moet verhinderen dat lezers psychologische verklaringen gaan zoeken voor zijn opvattingen, dat ze die toeschrijven aan depressie, trauma’s of andere aspecten van zijn persoonlijkheid. Hij wil dat zijn argumenten op hun eigen merites worden beoordeeld.

‘Mensen vragen weleens of ik kinderen heb,’ zegt hij tijdens ons gesprek. (Hij heeft een kalme, evenwichtige manier van praten en een Zuid-Afrikaans accent.) ‘Dan zeg ik: ik zie niet in wat dat ertoe doet. Als ik kinderen heb, dan is dat hypocriet – maar dan kunnen mijn argumenten nog wel kloppen.’

Als hij vertelt dat hij al ‘heel jong’ antinatalistische opvattingen had, vraag ik hoe jong dan precies. ‘Als kind al,’ zegt hij na een korte stilte, met een ongemakkelijke glimlach. Dit is precies het soort persoonlijke vragen dat hij liever niet beantwoordt.