Gazeta.ru  | Moskou  

Voor zijn vierde mandaat omringt Poetin zich met een nieuwe generatie ambitieuze bureaucraten. Zij moeten de economische successen uit de tijd van Stalin herhalen. En misschien wordt een van hen wel zijn opvolger.

‘Rusland heeft nu ambitieuzere doelstellingen nodig, een snellere groei’, zei Poetin al in 2002. Onlangs herhaalde hij zijn idee in een toespraak voor de Doema, waarbij hij meermaals de woorden ‘doorbraak’ en ‘opleving’ gebruikte. Om die groei te bereiken, en om zich voor te bereiden op de machtsoverdracht in 2024, heeft de president sterke, vastberaden en betrouwbare medewerkers nodig, die hem eventueel ook kunnen opvolgen.

Het is absoluut niet zeker dat de namen die nu genoemd worden in 2024 nog altijd op het bord zullen staan. Zes jaar is lang genoeg om pionnen naar voren te schuiven die nu nog volstrekt onbekend zijn.

De technocratische tendens in het landsbestuur is de afgelopen twee jaar duidelijk geworden. Eerst was er de benoeming van Anton Vajno tot hoofd van de presidentiële administratie [in augustus 2016]. Vrij snel daarna volgde een ontslaggolf onder de gouverneurs ten gunste van technocraten. Geleidelijk vertrekken de oude makkers, de ‘vrienden’ van Poetin. De leden van zijn entourage gaan met pensioen, of komen in sommige gevallen achter de tralies terecht. De president geeft de voorkeur aan mensen met een jonger profiel, die naar verondersteld mag worden minder rijk en corrupt zijn, loyaal, en geen duidelijke ideologie aanhangen – ‘specialisten’ in zekere zin.

Loyaliteit

Wat Poetins precieze motieven ook zijn, het is duidelijk dat hij, zonder te raken aan de pijlers van het politieke stelsel, op zoek is naar mensen die ervoor kunnen zorgen dat hij beter presteert, vooral op het vlak van economie en management. Of dat beleid ook succesvol zal zijn is de vraag, maar dit is Poetins idee van een doelmatige aanpak.

De president maakt het voor zijn jonge aanhangers veel gemakkelijker om carrière te maken dan de afgelopen jaren het geval was in de uiterst gepolitiseerde en in diskrediet gebrachte jongerenorganisaties. Hij verzekert zich op die manier van de loyaliteit van een nieuwe bureaucratie, die zonder al te veel turbulentie minstens tot 2024 zal moeten standhouden. Deze rekruten mogen het staatshoofd niet tutoyeren en zijn hem veel verschuldigd voor elke sport die ze op de carrièreladder stijgen. Dit maakt ze loyaal. Met deze stoottroepen kan de machtsoverdracht plaatsvinden. In die zin heeft de Bulgaarse politicoloog Ivan Krastev gelijk wanneer hij zegt dat Poetin niet wordt opgevolgd door één man, maar door een generatie. Een generatie ambitieuze bureaucraten.

Politieke partijen zijn in Rusland niet langer springplanken voor de opkomst van nieuwe kaderleden. De komende zes jaar zal het nieuwe talent van buiten de politiek komen. Om te slagen in zijn transitie heeft Poetin hetzelfde soort technocraten nodig dat floreerde in de jaren dertig van de vorige eeuw. Wat de president wil is het kunststukje van de industrialisatie uit die tijd herhalen, maar dan in een ander economisch systeem.

De transitie van de jaren 1930 en 1940 was het tijdperk van de bliksemcarrières, vooral voor ingenieurs en administratieve kaderleden. Aleksej Kosygin werd op zijn 35e volkscommissaris van Textielindustrie. Nikolaj Bajbakov op zijn 33e volkscommissaris van Olie-industrie. Ivan Tevosjan werd volkscommissaris toen hij 37 was, en vervolgens heel snel minister. Dmitri Oestinov, toekomstig lid van de ‘clan’ van Breznjev die alle belangrijke besluiten in de jaren 1970 en 1980 zou nemen, werd volkscommissaris van Bewapening toen hij 32 was.

Zo zijn er tal van voorbeelden. Stalin lanceerde heel jonge ‘sterren’ door zich te verzekeren van hun loyaliteit en door een maximaal rendement van hen te eisen. Ouderen konden een dergelijk fysieke en psychologische belasting eenvoudigweg niet aan. Degenen die niet werden gefusilleerd en niet stierven, hadden geen enkele carrièremogelijkheid meer. Bajbakov, Kosygin en Oestinov werden mettertijd zelf het symbool van immobilisme.