The New York Times | New York

Er blijkt veel meer wetenschappelijk onderzoek te worden gedaan naar honden dan naar katten. Hoe komt dat?

Iemand (mijn baas) merkte laatst op dat ik vaker artikelen over honden schrijf dan over katten, en vroeg me hoe dat kwam.

Ik wist natuurlijk meteen dat het absoluut niets te maken kan hebben met het feit dat ik al ettelijke honden en nog nooit een kat heb gehad: het moet een afspiegeling zijn van het aantal wetenschappelijke studies naar beide dieren. Ik schrijf immers over elk onderzoek dat boeiende bevindingen oplevert en ik heb niets tegen katten, ook al ben ik zelf geen kattenmens. Twee van mijn volwassen kinderen hebben katten, en laten die vooral niet denken dat ik ze links laat liggen. (Hallo, Bailey! Hallo, Tawney! Dat zijn de katten, niet mijn kinderen.)

Maar het leek me wel goed om hier eens in te duiken, dus mailde ik Elinor Karlsson van het Broad Institute en de University of Massachusetts. Zij is geneticus en ze heeft drie katten, maar haar onderzoek gaat vooral over honden: een onbevooroordeelde blik dus. Ze doet trouwens onderzoek naar het genoom van verschillende honden. Ze verzamelt DNA door hondenbezitters op te roepen wat speeksel van hun viervoeter op te sturen.

Het soort onderzoek dat mij vooral boeit en waarover ik dus schrijf, gaat over evolutie, domesticatie, genetica en diergedrag. Plus vragen van het type: “Wat is eigenlijk een hond?”