Ogonjok  | Moskou 

De nieuwe Armeense premier Nikol Pasjinian staat voor een schier onmogelijke taak. Vijfennegentig procent van de bevolking wil verandering, maar de overige vijf procent controleert het land.

De perceptie van de recente gebeurtenissen in Armenië heeft een duidelijke ontwikkeling doorgemaakt: eerst was er enthousiasme over het nieuws uit dit eeuwenoude land dat al het nodige heeft doorstaan, vervolgens verbazing en uiteindelijk ongerustheid. De energie van honderdduizenden burgers die zich verenigd voelen in hetzelfde verlangen om hun lot in eigen hand te nemen kon alleen maar op een gunstig en welwillend onthaal rekenen; het volstrekt vreedzame karakter van de beweging, die soms de vorm aannam van een volksfeest, was verrassend en sommigen zagen het als een blijk van de ‘bijzondere wijsheid’ die de Armeniërs eigen zou zijn.

De reden dat nu de ongerustheid de boventoon voert is prozaïscher: er gaat geen solide structuur en geen realisme schuil achter de geafficheerde eenheid en de feestelijke stemming. Met andere woorden: na een maand van protesten is het duidelijk geworden dat een politicus wegsturen die iedereen beu was [president en voormalig premier Serzj Sarkisian] – een politicus die verre van onberispelijk was, die het land al tien jaar bestuurde met zijn familie en zijn vriendjes (al twintig jaar als je zijn voorganger meetelt die afkomstig was uit dezelfde clan) – nog geen garantie is voor geluk en welvaart. Het garandeert zelfs geen echte veranderingen in dit onverdraaglijke leven waar honderdduizenden mensen tegen in opstand kwamen, want de leiders van de protestbeweging hebben er niet de middelen voor – noch intellectueel (hervormingsprogramma’s), noch materieel (financieringsbronnen), noch organisatorisch (een grote partij of een andere structuur).

‘Leider van het nationaal reveil’

Nikol Pasjinian, de onbetwiste held van de laatste weken en, zo lijkt het, een waardig en oprecht man in zijn romantische aspiraties naar een beter leven, wist zich in drie weken van ‘protestmarsen’ te verzekeren van de steun van het volk dat van hem niet alleen ‘de kandidaat van de straat’ heeft gemaakt, maar feitelijk de enige kandidaat voor het premierschap. Maar verder? Zijn partij Jelk (‘De uitweg’ in het Armeens) is piepklein, slecht gestructureerd, heeft geen programma en gaat gebukt onder interne conflicten. Zijn aanhangers hebben hem ronkend de ‘leider van het nationaal reveil’ genoemd, maar het zal voor hem niet gemakkelijk worden om die rol te spelen: dit reveil vindt plaats in een land dat tot op het bot is aangetast door corruptie en dat meer lijkt op een grondgebied dat door enkele clans onderling is verdeeld dan op een soevereine staat.

Het beeld van de Armeense politiek is, ondanks zijn kleurrijke kant, vrij somber: geen spoor van duidelijke politieke plannen, een politiek toneel dat wordt bevolkt door extravagante persoonlijkheden met een enorm vermogen en een twijfelachtig verleden. De overheidsinstellingen zijn een soort kinderdagverblijven voor de zwaargewichten uit de financiële en politieke wereld, en omdat de kinderen van de machtigen niet noodzakelijkerwijs getalenteerd zijn maar wel vindingrijk om aan geld te komen, zijn de gevolgen voor allerlei overheidssectoren funest.

Armenië is een klein land waar iedereen alles weet: wie van welke familie is, wie wat controleert, wie wat financiert, waar het geld vandaan komt en waar het heen gaat. De belangensferen van de verschillende personen die schaamteloos het land plunderen, hun onderlinge banden, hun betrekkingen met het buitenland (en niet alleen met Rusland) zijn voor niemand een geheim. Gedurende twintig jaar hebben de burgers in stilte toegekeken hoe hun zogenaamde politieke elite ‘rijpte’. Maar nu er een nieuw tijdperk aanbreekt, is hun geduld opgeraakt en zijn de tongen losgekomen.