Bloomberg Business Week   | New York

Met miljarden aan Chinees kapitaal denkt Ethiopië de concurrentie aan te kunnen met goedkope kledingproducenten in Azië. Tenzij er een burgeroorlog komt.

Opgetogen staat Raghav Pattar, vicedirecteur van Indochine International, in het zonnige kantoor van de splinternieuwe fabriek van dit kledingbedrijf. Het is november, nauwelijks een half jaar sinds Hawassa Industrial Park werd geopend en er zijn al veertienhonderd lokale arbeiders aan het werk. Pattar streeft ernaar om in 2019 twintigduizend Ethiopiërs in dienst te hebben. ‘Twee jaar geleden was de grond waar deze fabriek op staat nog landbouwgrond,’ vertelt hij. ‘Welk land kan in twee jaar tijd zo snel veranderen? Ethiopië!’

Pattar is een enthousiaste immigrant uit India, die ook in Bangladesh en Egypte in de kledingindustrie heeft gewerkt. Vanuit het raam van zijn kantoor heeft hij zicht op de fabrieksvloer, waar tientallen vrouwen zomen naaien, logo’s stempelen en ondergoed aan het persen zijn voor Warner’s, een merk dat voornamelijk bij Walmart wordt verkocht. ‘De overheid werkt enorm mee,’ zegt hij. ‘Vierentwintig uur per dag, zeven dagen per week hebben ze hier mensen aan het werk gezet om dit complex mogelijk te maken. En er is geen corruptie. Helemaal niet!’

Hawassa Industrial Park werd heel snel gebouwd, dankzij een Chinees staatsbouwbedrijf dat in hoog tempo 56 identieke rood-grijze metalen grote loodsen neerzette, waar volgens de Ethiopian Investment Commission in negen maanden tijd al voor 250 miljoen dollar textiel is geproduceerd. Maar Pattar is zo enthousiast omdat hij Belay Hailemichael op bezoek heeft, de vriendelijk pratende manager die de leiding heeft over het centrale helpcentrum. Belay helpt bedrijven aan import- en exportvergunningen en visa voor hoger personeel en stroomlijnt de aanvoer van nieuwe arbeidskrachten. Dat zijn vooral vrouwen, die een lange stoffige busreis uit hun dorpje achter de rug hebben en urenlang hebben gewacht om te solliciteren naar een baan met een basissalaris van 25 dollar per maand. Het helpcentrum test hun handvaardigheid en verdeelt ze in drie categorieën: de getalenteerden, die achter de naaimachine komen te zitten en de minder getalenteerde ‘tweetjes’ en ‘drietjes’, die dozen moeten inpakken en de vloer moeten aanvegen.

Ethiopische arbeidsters aan het werk in een fabriek van het Chinese schoenenbedrijf Huajian vlak bij de hoofdstad Addis Abeba. Het is een van de grootste schoenenfabrieken ter wereld. – © HH