Der Spiegel   | Hamburg

De stoere Duitse verdediger Per Mertesacker, wereldkampioen in 2014 en tot voor kort aanvoerder van Arsenal, doet niet mee aan het komende WK. In mei hing hij na vijftien jaar profvoetbal zijn kicksen aan de wilgen. In een openhartig afscheidsinterview met Der Spiegel vertelt hij hoe meedogenloos de voetbalbusiness is.

Vier à vijf seconden voor het fluitsignaal wordt hij iedere keer overvallen door acute misselijkheid. Als hij zijn positie op het veld heeft ingenomen, te midden van de brullende supporters. Hij weet dat hij nu weer alles moet geven, negentig minuten lang.

De spanning, zegt hij, is dan bijna ondraaglijk. ‘Mijn maag draait zich om alsof ik moet overgeven. Ik moet dan één keer zo heftig slikken, dat de tranen me in de ogen springen.’ Hij draait zijn hoofd dan altijd opzij, met de kin naar de schouder, opdat niemand er iets van merkt: de tv-camera’s niet, de trainer niet, zijn medespelers niet. Zodat niemand ooit zal vragen wat er eigenlijk voor iedere wedstrijd met hem aan de hand is. Met Per Mertesacker, de rustige, soevereine, centrale verdediger.

De wereldkampioen van 2014 en aanvoerder van Arsenal uit Londen zit in een Thais restaurant in het noorden van de stad. Het is een vrijdag in januari. Hij heeft het tafeltje online gereserveerd en per WhatsApp een screenshot gestuurd: 14.00 uur, twee personen, Mertesacker. ‘The big fucking German’ noemen ze hem hier in Engeland. Hoe passend die bijnaam is, laten we in het midden. Fucking big is hij zonder twijfel. Slechts één keer probeert hij zijn benen onder de tafel te vouwen.
Per Mertesacker, 1 meter 99 lang, mager, draagt witte gymschoenen, jeans en een grijs sweatshirt. Hij bestelt spa blauw, kip met cashewnoten, geen koriander. Hij komt juist van de training.

Diarree

Veel aan de 33-jarige maakt een jongensachtige indruk: zijn lachen, de coolness waarmee hij achteroverleunt in zijn stoel, armen over elkaar. Of misschien wil hij nog een beetje afstand houden, voordat hij iemand dichterbij laat komen dan enige actieve voetballer van wereldklasse voor hem deed.

In mei zet Mertesacker een punt achter zijn carrière, na 15 jaar profvoetbal, na 104 interlands, 221 wedstrijden in de Bundesliga, 155 in de Premier League en 83 in de Europa League.

Hij is moe, uitgeput, zegt hij.

Hij is kapot, zeggen de artsen.

Maar Mertesacker wil er niet zomaar mee ophouden. Hij wil iets nalaten ‘voor de volgende generaties’, zegt hij.

Dat moeten inkijkjes zijn in de meedogenloosheid van de voetbalbusiness. Hij wil afrekenen met valse veronderstellingen en in eigen persoon laten zien wat het betekent om met deze job te leven, die velen als een droombaan bestempelen: om de desastreuze druk te verdragen, om gevangen te zitten in een voortdurende dwang van training en wedstrijden spelen, en daarbij altijd alleen op je prestaties beoordeeld te worden.

Altijd alleen maar de speler te zijn, nooit de mens in het shirt.

Hij stelt een voorwaarde, en kijkt me strak aan. ‘Dit mag allemaal niet klagerig klinken, want natuurlijk besef ik wat een bevoorrecht leven ik heb.’ Dat er velen zijn die van zijn roem en zijn bankrekening dromen. En van wat daarmee samenhangt: villa’s, luxe auto’s, vakantie op de Seychellen, de Malediven, Mauritius. Hij wil er alleen aan toevoegen wat hij zelf veel te lang weggedrukt heeft. Dat deze gigantische voetbalbusiness niet alleen van het lichaam heel veel vergt.

‘De kwestie van die misselijkheid, het is voor het eerst dat ik daarover praat,’ zegt Mertesacker. Dat begint al in de nacht voor de wedstrijd. Clemens Fritz, met wie hij bij Werder Bremen een kamer deelde, had hem daar eens op attent gemaakt.

‘Hij vond dat hij altijd alles op alles moest zetten om eerder in slaap te vallen dan ik. Ik zou voor wedstrijden zo trillen met mijn rechtervoet, dat het hele dekbed ritselde. Daar zou hij gek van worden.’ Hemzelf was dat nooit opgevallen.

En dan de diarree, op de ochtend van elke speeldag, terugblikkend dus op vijfhonderd dagen van zijn leven. Mertesacker richt zijn blik op zijn lange vingers, somt op: ‘Vanuit bed moet ik meteen naar het toilet, na het ontbijt naar het toilet, na het middageten weer naar het toilet, in het stadion nog eens naar het toilet.’ Al wat hij at moest er meteen weer uit.

Zelfs met zijn vrouw, zijn familie, zijn vrienden heeft hij nooit over die misselijkheid gesproken. ‘Ik wilde dat niet dramatiseren. Het had geen effect op mijn prestaties.’

Mertesacker pauzeert, denkt na. ‘Aan de andere kant deed ik als kind al alles alleen.’