The Atlantic   | Washington D.C.  

Dankzij nieuwe technologie kunnen we straks allemaal nepfilmpjes maken die niet van echt te onderscheiden zijn. Daarmee vergeleken is nepnieuws kinderspel, waarschuwt journalist Franklin Foer.

In een vunzig uithoekje van het internet kun je actrices uit Game of Thrones in allerlei standjes seks zien hebben. Althans, de hoofden op de vozende lijven zijn echt van die filmsterren. Maar de lichamen eronder niet. Met behulp van intelligente software zijn de beroemde gezichten bijna naadloos in bestaande pornoscènes geplakt. Het is een van de pijnlijkste en meest intieme vormen van identiteitsdiefstal in het internettijdperk. Allemaal mogelijk dankzij een technisch hoogstandje: de argeloze bezoeker kan niet makkelijk zien dat dit een hoax is.

Deze ontwikkeling is het werk van een programmeur met de schuilnaam ‘deepfakes’. En dit is nog maar een bètaversie van een veel ambitieuzer project. 
In januari vertelde een collega van deepfakes op technologiewebsite Motherboard dat hij deze techniek toegankelijk wil maken voor de massa. Hij wil het procedé verder verfijnen en automatiseren, zodat straks iedereen in staat is het hoofd van een ex, een collega of een geheime vlam in een bestaand pornofilmpje te monteren. Zonder technische kennis. En omdat onderzoekers werken aan nog veel verfijndere tools voor andere dan pornografische doeleinden – algoritmen om gezichtsuitdrukkingen in kaart te brengen en stemmen na te bootsen – zullen dit soort vuige nepfilmpjes steeds realistischer worden.

Het internet droeg altijd al de kiem in zich van een postmoderne hel. Massamanipulatie, van clickbait tot Russische bots en de verslavende mechanismen van de Facebook-newsfeed, is de pasmunt van het medium. Het internet is altijd een plek geweest waar identiteit griezelig ongrijpbaar is, waar anonimiteit een voedingsbodem vormt voor verwarring en verhuftering, waar oplichters de randen van het ik doen vervagen. Zo bezien is de opkomst van deepfakes een logisch uitvloeisel van de geschiedenis van het internet tot nu toe – en waarschijnlijk slechts een primitief voorproefje van wat ons nog te wachten staat.

Werkelijkheid

Vladimir Nabokov schreef ooit dat ‘werkelijkheid’ een van de weinige woorden is die geen betekenis hebben zonder aanhalingstekens. Het was een sardonisch inzicht in de betrekkelijkheid van onze waarneming: als jij en ik naar hetzelfde voorwerp kijken, hoe weet je dan écht dat we allebei hetzelfde zien? Toch hebben onze instituten (de media, de overheid, de academische wereld) ons, vanuit een geloof in empirisme en de rede, weten te verenigen in een consensus over hoe we de wereld moeten beschrijven. Maar deze breekbare consensus begint de laatste jaren af te brokkelen. De sociale media hebben een nieuw tijdperk ingeluid van geïndividualiseerde nieuwsconsumptie die de eigen vooroordelen bevestigt en tegenstrijdige feiten wegfiltert. De komst van zo’n waarheidsvrije wereld wordt nog verder versneld door een president die leugens en complottheorieën 
officiële goedkeuring verleent.

Maar over een poosje zal dit misschien het 
tijdperk van de onschuld lijken te zijn. Dan leven we in een wereld waarin onze ogen ons continu bedriegen. Anders gezegd, we zijn niet meer ver af van de totale instorting van de werkelijkheid.

Trouw aan de werkelijkheid is iets waar we tegenwoordig sterk aan hechten, waar we zelfs naar snakken. We leven nog steeds in de wereld van Abraham Zapruder. We hebben diep ontzag voor het soort grofkorrelige beelden dat te zien was op het 8-millimeterfilmpje waarmee die kleermaker uit Dallas bij toeval de moord op John F. Kennedy had vastgelegd. Onbewerkt beeldmateriaal wordt in onze cultuur een buitenproportioneel gezag toegekend. Dat komt doordat het publiek een blind en irrationeel cynisme heeft ontwikkeld jegens gewone 
verslaggeving en ander materiaal dat door de handen van de media is gegaan – een overtrokken reactie op een eeuw reclame, propaganda en opgeklopt tv-nieuws. We hebben een diepe hunkering naar onopgesmukte feiten, wat de essayist David Shields onze ‘werkelijkheidshonger’ noemt.

Laakbaar gedrag maakt vooral kans om massale verontwaardiging los te maken als het ‘op film staat’. 
Bij de laatste twee presidentsverkiezingen was een cruciale rol weggelegd voor zulk beeldmateriaal. In 2012 werd Mitt Romney heimelijk gefilmd door een barkeeper toen hij op een campagnebijeenkomst in Florida ‘47 procent’ van de Amerikanen – de Obama-kiezers – wegzette als slappelingen die hun hand ophielden bij de overheid. Er zijn goede redenen om te veronderstellen dat dit stiekem opgenomen filmpje zijn verkiezingskansen om zeep heeft geholpen. Zijn opmerkingen zouden vast nooit zo veel impact hebben gehad als ze gewoon waren opgetekend door een journalist. Het waren de beelden – met die onhandige camerahoek, rinkelend bestek en kelners die door het beeld lopen – die hier kracht aan gaven. Al die aspecten getuigden van de onweerlegbare authenticiteit.