New Statesman   | Londen  

Paul Dacre was 26 jaar lang hoofdredacteur van de Daily Mail, de invloedrijkste krant van Groot-Brittannië. Zijn vertrekt betekent het einde van een tijdperk, schrijft voormalig Mail-redacteur Helen Lewis.

Toen ik bij de Daily Mail werkte, begon ik de krant steeds meer te beschouwen als de chocoladefabriek van Willy Wonka. Niet dat er ‘nooit iemand naar binnen gaat en nooit iemand naar buiten komt’ – de roltrap naar het glazen atrium boven Whole Foods in Kensington vervoert tenslotte een gestage stroom werknemers – maar je voelde je er zo van de buitenwereld afgesloten. Buitenstaanders zagen het als een vreemde citadel, waar politieke reputaties gemaakt en gebroken werden en waar ons nationale debat sterk werd verlevendigd of op boosaardige wijze vergiftigd, al naargelang je gezichtspunt.

Maar de krant werd nauwelijks blootgesteld aan kritische blikken van buitenaf, zelfs niet naar persmaatstaven. Elke dag laat de Daily Mail zijn blik over de wereld gaan, die in zijn ogen meestal tekortschiet; het gebeurt maar zelden dat de wereld terugstaart. Deze geheimzinnigheid komt, zoals zoveel bij de Mail, rechtstreeks voort uit de psyche van de hoofdredacteur. Daarom spraken, toen bekend werd dat Paul Dacre na 26 jaar zou aftreden, zo veel commentatoren van het einde van een tijdperk.

De Daily Mail is de invloedrijkste krant in Groot-Brittannië en niemand heeft zo veel pure macht als zijn hoofdredacteur. Dacres opvolger, Georgie Greig van de Mail on Sunday, heeft nauwe banden met eigenaar Lord Rothermere, maar het is ondenkbaar dat de krant zo precies zijn eigen passies, hang-ups, obsessies en vendetta’s zal weerspiegelen. Dacre was de laatste zilverruggorilla van Fleet Street.

Schreeuwlelijk

Buitenstaanders zijn geneigd hem als een schreeuwlelijk te zien, een agressieve wervelwind van moeiteloze krachttermen. Maar in de vijf jaar dat ik als redacteur bij de krant heb gewerkt, ontdekte ik dat hij heel wat ingewikkelder in elkaar stak. Diep in zijn hart is Dacre een verlegen man die zich ongemakkelijk voelt in gezelschap, het tegendeel van een causeur. Hij is zo’n 1 meter 85 lang, maar loopt met gebogen hoofd, alsof hij beseft dat hij meer ruimte in beslag neemt dan andere mensen. Het geluid dat ik het meest met hem associeer, is geen geschreeuw maar een diep gegrom. Je had altijd het gevoel dat hij zich elke avond oppepte voor het in de grond boren van zijn onfortuinlijke staf.

Die spanning tussen terughoudendheid en woede is terug te zien in de krant, die zichzelf presenteert als de voorvechter van de kleine man – de rustige huiseigenaar in de buitenwijk die een tergend gewoon leventje leidt en wiens waarden worden bepaald door het feit dat hij niet tot een glamoureuze, progressieve, kosmopolitische elite behoort.

De lezers zijn verwikkeld in burenruzies over schuttingen en conifeerhagen (onderwerpen waarover ik elke maand wel een stuk redigeerde; buren waren soms jarenlang met elkaar in oorlog). Ze worden diep geroerd door het lot van in gevangenschap levende orang-oetans, dansende beren en verwaarloosde honden. Ze vinden het fijn om elke winter weer te lezen dat de BBC rond de Kerst te veel herhalingen uitzendt. Ze verslinden het gruwelijke gezondheidskatern, dat een redacteur ooit deed flauwvallen terwijl hij bezig was met een uitzonderlijk bloederig stuk en waarin ooit mijn favoriete Mail-kop aller tijden verscheen: ‘Chirurgen maakten een nieuwe tong voor me van een stuk uit mijn arm’. (Ja, hij was nog een beetje harig. Ja, het is al tien jaar geleden en ik ben er nog steeds niet overheen.)

We grapten altijd dat boven elk zaterdags hoofdartikel – het belangrijkste commentaar van de krant op de stand van het land – de kop ‘Het grote verraad’ kon worden gezet. Elke necrologie over een kunstenaar of schrijver kwam in wezen neer op dezelfde vraag: ‘Genie of perverseling?’ (Vaak waren ze allebei.) Dat zijn niet de stukjes uit de krant die mensen bereiken die hem niet kopen. Voor velen van hen wordt de Mail gedefinieerd door schokkende voorpagina’s waarop rechters ‘vijanden van het volk’ worden genoemd, waarop Mick Philpott, die zes van zijn zeventien kinderen vermoordde, als ‘een wanproduct van de Britse verzorgingsstaat’ wordt beschreven, en waarop wijlen Ralph Miliband, de vader van politicus Ed Miliband die als Joodse vluchteling vrijwillig dienst nam bij de Britse marine, wordt aangevallen als een man die ‘Engeland haatte’.