The Spectator   | Londen

We leven in een samenleving die is geobsedeerd door reizen. Leo McKinstry blijft liever thuis.

Ik ben nooit zo’n avonturier geweest. Als kind in Belfast lag ik urenlang roerloos op de keukentafel en had geen enkele neiging om op onderzoek uit te gaan. Een keer kwam een bezorgde buurvrouw aan de deur omdat ze mij door het raam zo doodstil had zien liggen. ‘Maak je geen zorgen. Dat heeft hij zo vaak. Hij gaat nergens heen,’ was de reactie van mijn moeder op haar bezorgdheid.

Die indolentie heb ik als volwassene nog steeds en die uit zich in mijn diepe afkeer van reizen. Ik heb geen greintje reislust in me. Ik fantaseer nooit over het bezoeken van verre landen, blader nooit verlangend door reiskaternen. De meeste mensen willen graag de wereld verkennen waarin ze leven, maar mij kan het echt niets schelen als ik geen nieuwe plekken bezoek. Ik heb liever een verregend weekend in Bridlington dan veertien dagen in Barcelona.

Ik erken dat mijn zienswijze geheel tegen de tijdgeest in gaat. We leven in een samenleving die is geobsedeerd door reizen, waarin mensen net zo enthousiast exotische ervaringen als spullen verzamelen. Vooral millennials lijken te geloven dat voortdurend reizen niet alleen essentieel is voor je welzijn maar je ook tot een moreel beter mens maakt. In een tijd van mondialisering is het toerisme een van de grootste industrieën ter wereld geworden, nog lucratiever dankzij goedkope vluchten en internet. Naar schatting is deze sector goed voor een op de elf banen, en worden er jaarlijks meer dan een miljard buitenlandse reizen gemaakt.

Geen bucketlist

Welnu, ik doe niet mee aan die verering van het globetrotten. Als reizen de nieuwe religie is, ben ik een ketter. Ik heb geen bucketlist, geen bestemmingen die ik per se gezien wil hebben. Mijn paspoort is bijna smetteloos. Laatst bij een etentje met vrienden vertelde een van hen over het huis dat zij en haar man in Sri Lanka hadden gebouwd. ‘Je moet echt een keer langskomen,’ zei ze vriendelijk. Ik reageerde alsof ze me had gevraagd of ik me bij de revolutionaire communistische partij wilde aansluiten. ‘Geen sprake van,’ antwoordde ik. Ik heb in mijn leven vier keer intercontinentaal gevlogen, twee keer naar de VS en terug, en ik hoop dat ik oud mag worden zonder dat nog een keer te hoeven meemaken.

Gegeven onze huidige verslaving aan massatoerisme zou mijn instelling als een persoonlijkheidsstoornis gezien kunnen worden. Als ik anderen over mijn reisangst vertel, gaan ze er heel vriendelijk van uit dat het in wezen een vorm van vliegangst is. Maar dat is het helemaal niet. Ondanks al dat beveiligingsgedoe sinds 9/11 hou ik van de levendigheid op luchthavens en ik ben gefascineerd door alle vormen van luchtvaart, waarover ik ook drie boeken heb geschreven. Nee, niet de reis is het probleem, maar de bestemming.

Deels overvalt me een diep gevoel van verveling als ik nadenk over een reis naar een bekende toeristenbestemming die ik maar al te goed ken uit een ware overvloed aan films en foto’s. Het is onmogelijk om niet blasé naar de Sixtijnse Kapel of de Taj Mahal te kijken. Maar ik moet bekennen dat ik daar soms wel heel ver in ga. Als jongeman had ik een vakantiebaantje als internationale luchtkoerier, waarbij ik pakketjes in een lijntoestel naar plaatsen in Europa en Egypte bracht. Twaalf keer ben ik via Frankfurt naar Cairo gevlogen, maar altijd weigerde ik om de piramiden te bezoeken, zelfs toen de vertegenwoordiger van het koeriersbedrijf aanbood om me erheen te brengen. ‘Nee, dank je wel, ik heb ze al vanuit het vliegtuig kunnen bekijken,’ zei ik, en ik bleef lekker veilig in mijn hotelkamer bij de luchthaven.