The Guardian | Londen

Kunstvervalsingen zijn tegenwoordig zo goed dat zelfs connaisseurs echte meesters niet meer van valse kunnen onderscheiden. Daarom nam veilinghuis Sotheby’s forensisch expert James Martin in dienst.

Het grote schandaal rond de vervalsing van oude meesters begon in de winter van 2015, toen de Franse politie een inval deed bij een galerie in Aix-en-Provence en een schilderij dat daar hing in beslag nam. Het ging om Venus, een schilderij van de Duitse renaissanceschilder Lucas Cranach de Oude, om precies te zijn: olieverf op hout, 38 × 35 cm, daterend uit 1531. Venus werd in 2013 voor zo’n 7 miljoen euro gekocht door de prins van Liechtenstein en was de onbetwiste ster op de tentoonstelling van werken uit zijn collectie; ze stond zelfs te stralen op de voorkant van de catalogus. Maar volgens een anonieme tip aan de politie was het schilderij in werkelijkheid een moderne vervalsing – dus werd het van de muur gehaald en meegenomen.

Het schilderij was op de markt gebracht door de Franse verzamelaar Giuliano Ruffini, en met deze inbeslagname ontstonden de eerste zorgen over een mogelijke golf van volmaakte vervalsingen. Ruffini heeft minstens 25 werken verkocht, met een totale verkoopwaarde van zo’n 221 miljoen euro, en nu ligt over al die schilderijen de schaduw van de twijfel. De discussie spitst zich toe op de authenticiteit van vier schilderijen, waaronder de Cranach. Volgens kunsthistoricus Bendor Grosvenor kunnen dat wel eens ‘de beste vervalsingen van oude meesters zijn die de wereld ooit heeft gezien’. Ruffini is nog steeds onderwerp van onderzoek door de Franse politie, maar zegt zelf dat hij deze schilderijen helemaal niet als oude meesters heeft aangeboden. Tegenover The Art Newspaper zei hij verontwaardigd: ‘Ik ben verzamelaar, geen expert.’

Krankzinnige bedragen

De markt was enthousiast over de kwaliteit van deze schilderijen – of hun getrouwe kopie. De bedragen die in de kunstwereld omgaan zijn toch al niet gering, maar nu waren ze tot krankzinnige hoogte gestegen. Dertig jaar geleden was de hoogste prijs op een veiling voor een schilderij 10,4 miljoen dollar, betaald door het J. Paul Getty Museum voor de Adorazione dei Magi in 1985. De 450 miljoen dollar die in 2017 werd betaald voor Salvator Mundi gold weliswaar als een uitschieter, maar tegenwoordig hangt er op veilingen en bij particulieren aan werk van abstract expressionisten en impressionisten wel vaker een prijskaartje van negen cijfers.

En met de stijging van de prijzen is ook het vak van meestervervalser veel aantrekkelijker geworden; één deskundig nagemaakte oude meester kan een lang en aangenaam pensioen opleveren. Daar komt bij dat de technologieën die de meestervervalser in spe ter beschikking staan, zijn verbeterd. Geen wonder dus dat ook de vervalsingen beter worden, en zo is een ware authentificatiecrisis ontstaan bij de instituties van de kunstwereld – de musea, galeries, veilinghuizen en kenners van wie wordt verwacht dat zij echt van vals kunnen onderscheiden.

Het meest onrustbarend aan de mogelijke vervalsingen die Ruffini heeft verkocht, is hoe veel mensen erdoor om de tuin zijn geleid. De National Gallery in Londen stelde een klein olieverfschilderij tentoon dat werd toegeschreven aan de zestiende-eeuwse kunstenaar Orazio Gentileschi – een door de oorlog vermoeide David, geschilderd op een felblauw stuk lapis lazuli; het werk is nu verdacht. Een portret van een edelman tegen een donkere achtergrond werd in 2011 door Sotheby’s aan een particuliere verzamelaar verkocht als een Frans Hals; de koper betaalde er 10,4 miljoen euro voor. Sotheby’s verkocht op een veiling in 2012 ook een olieverfschilderij, St. Jerome, toegeschreven aan de zestiende-eeuwse kunstenaar Parmigianino, voor 842.500 dollar. Voorzichtigheidshalve vermeldde de catalogus alleen dat het werk afkomstig was uit de ‘kring van’ Parmigianino – wat duidelijk moest maken dat het geschilderd was door een kunstenaar die beïnvloed was door en misschien leerling was van Parmigianino. Maar in de tekst werden ook verscheidene experts genoemd die dachten dat het een werk van Parmigianino zelf was.

De werken zitten vol opvallende, uiterst precieze details. Zo zijn er op de arm van Jerome tientallen vage, horizontale barsten zichtbaar, die hier en daar worden doorsneden door een duidelijke verticale scheur. Op Franse doeken van de achttiende eeuw krijgen barsten in de verf vaak de vorm van een spinnenweb; in Vlaamse panelen doen ze denken aan boomschors. Op Italiaanse schilderijen uit de Renaissance lijkt het patroon op rijen slordig gemetselde bakstenen. De barsten van de St. Jerome kloppen precies. Professor David Ekserdjian, een van de weinige kunsthistorici die eraan twijfelden of het schilderij een Parmigianino was, zegt dat hij gewoon niet dat gevoel van herkenning kreeg dat kunstwetenschappers vaak zeggen te hebben: de intieme band met een kunstenaar, die zij vergelijken met het vermogen om een vriend te ontdekken in een menigte. ‘Maar ik moet eerlijk zijn, toen ik het zag zei ik ook niet: “Dat is een vervalsing.”’