The Nation | New York

Mannen zijn sterk, beheerst en gewelddadig, zo wil het cliché. Als ze zich misdragen komt dat omdat ze niet anders kunnen. Maar in werkelijkheid ligt dit soort gedrag helemaal niet vast, betoogt journaliste Collier Meyerson. ‘Laten we die hele categorie onaangename mannelijke eigenschappen gewoon weggooien.’

Ik durf er een lieve duit om te verwedden dat mijn vader negentig procent van alle Oscar-genomineerde films van dit jaar heeft gezien. 
En ik weet ook vrij zeker dat hij bij al die films heeft gehuild. Hij geneert zich niet voor zijn tranen bij films, tv-programma’s of commercials. Hij is een watje, en daar is hij trots op. Of het kan hem in ieder geval niet schelen.

Lichamelijk is mijn vader sterk; hij tennist veel. Maar hij is erg mager. Zelf noemt hij zijn benen spillepoten, en hij zegt dat die niet menselijk zijn, eerder op kippenpoten lijken (en dat is ook zo). Mijn vader is de liefheid zelve, hij staat altijd achter me, wil graag al mijn problemen aanhoren en toont voortdurend zijn genegenheid. ‘Poppi’ stuurt me drie keer per dag een tekstbericht om te zeggen dat hij van me houdt en trots op me is. Net nog, terwijl ik deze alinea optikte, kreeg ik een berichtje van hem: ‘Ik hou oneindig keer oneindig veel van je, meer dan wie dan ook in alle sterrenstelsels en daarbuiten, tot in de eeuwigheid.’ En telkens als ik een artikel heb geschreven, stuurt hij daarover een e-mail aan al zijn vrienden, onze familieleden, zijn collega’s, mijn vrienden en ook, 
op de een of andere manier, aan mijn collega’s. Deze kant van mijn poppi past niet bepaald bij wat in ons land over het algemeen ‘masculien’ heet, dat meestal staat voor sterk, beheerst en gewelddadig.

‘Ziekte die mannelijkheid heet’

Maar in andere opzichten is mijn softe vader behoorlijk ‘masculien’. Hij kan heel woest worden, al neemt dat met het ouder worden wel wat af. Ik weet nog 
dat ik hem als kind een keer op zijn werk opzocht en daar gaten in de muur zag – toen ik ernaar vroeg, 
zei hij een beetje schaapachtig dat hij gefrustreerd was geweest na een telefoontje of een gesprek met een klant, rechter of advocaat van de tegenpartij. Ook houdt mijn poppi er niet van als je het niet met hem eens bent – nou ja, dat is niet zo vreemd, zelf hou ik daar ook niet van. Maar hij blijft je voortdurend in de rede vallen en je zijn standpunt opdringen, en maakt het je onmogelijk om je eigen gedachtegang af te maken. 
Vroeger, wanneer hij naar voetbal op tv keek, kon ik hem in het hele huis tegen de tv horen brullen: ‘O, kom op nou, jij (puntje puntje puntje)’, op een toon waar ik van schrok. Tegenwoordig blijf ik uit de buurt van zijn kamer wanneer hij naar sport kijkt – en ik denk dat mijn moeder om dezelfde reden een eigen tv in de keuken heeft.

Als je dit leest, vind je mijn vaders minder prettige gedrag misschien vrij normaal voor een witte heteroman, en daar heb je gelijk in. (Ik kan het weten, ik heb met heel wat heteromannen een relatie gehad.) Maar altijd als ik mijn vader en de meeste andere hetero-mannen in mijn nabije omgeving 
probeer aan te spreken op hun vrouwenhaat, zijn hun antwoorden voor mij steeds weer een heuse schok, en geen plezierige. Wanneer ik zeg dat hun onaangename eigenschappen – tegen muren slaan, vrouwen overschreeuwen, tegen een sportwedstrijd brullen op een toon die je zou moeten bewaren voor een confrontatie met een moordenaar – voortkomen uit ‘de ziekte die mannelijkheid heet’, om [activiste en feministe] bell hooks te citeren, kijken ze me altijd bevreemd en boos aan.