The Guardian   | Londen  

Alan Rusbridger, voormalig hoofdredacteur van The Guardian, kijkt terug op twee decennia die de media voorgoed hebben veranderd. Het is volgens hem de hoogste tijd om opnieuw tot een consensus te komen over wat journalistiek betekent voor het algemeen belang.

Begin 2017 werd de hele wereld zich bewust van een probleem dat journalisten – met een mengeling van machteloosheid, onbegrip en angst – al enige tijd hadden zien aankomen. Het nieuws, dat fenomeen dat de mensen hielp hun wereld te begrijpen, dat smeerolie in de tandwielen van de maatschappij druppelde, kruisbestuiving tussen gemeenschappen stimuleerde en gezagsdragers tot eerlijkheid dwong – dat nieuws functioneerde niet meer.

Er gingen tal van namen en verklaringen voor het probleem rond. De een dacht dat we verzopen in een teveel aan nieuws, de ander was juist bang dat we onze nieuwsvoorziening dreigden te verliezen. De een klaagde dat er te veel gratis nieuws was, de ander vond juist dat betaalde media de mensen dom hielden. Maar bijna iedereen was het erover eens dat we ronddobberden op een woeste oceaan van kolkende informatie, die voor een deel waar was en voor een groot deel ook niet. Er was te veel nieuws dat onjuist en te weinig nieuws dat betrouwbaar was. Hoe was het zover gekomen? En hoe konden we dat nog terugdraaien?

Scepsis en verwarring

Ik heb twintig jaar aan het hoofd van een krant gestaan terwijl deze turbulente revolutie zich 
voltrok. Bij mijn aantreden in 1995 was het nog een papieren krant, gedrukt op een wijze die sinds de negentiende eeuw nauwelijks was veranderd. Het was in veel opzichten een verticaal georganiseerde wereld. Wij, de nieuwsorganen, beschikten over drukpersen en daarmee over de exclusieve macht 
om het door ons vergaarde nieuws te laten neerdalen op de massa onder ons. In ruil daarvoor reikten de lezers ons hun geld aan, evenals de adverteerders, die weinig andere mogelijkheden hadden om ons publiek te bereiken. Tegenwoordig kunnen adverteerders hun consumenten veel effectiever bereiken via andere kanalen. De lezers geven niet meer zo graag geld uit aan nieuws. En hoe je het ook wendt 
of keert, de mainstreammedia worden nu alom bezien met scepsis, verwarring en wantrouwen.

Toen ik al enkele jaren hoofdredacteur van The 
Guardian was, werd ik uitgenodigd om een speech te geven bij een etentje van de Thirty Club, een verzameling kopstukken uit de media- en reclamewereld. Dat was in maart 2003: drie jaar voor de lancering van Twitter en de introductie van de ‘newsfeed’ op Facebook, voor de totale ineenstorting van het verdienmodel dat al meer dan een eeuw ten grondslag lag aan de journalistiek. Het thema van mijn toespraak was vertrouwen, en de rampzalige rapport-
cijfers die kranten op dat vlak kregen. Het varieerde een beetje per jaar en per opiniepeiler, maar door de bank genomen mochten we blij zijn als 13 tot 18 procent van de bevolking vertrouwen had in kranten.

Toen ik opstond om het woord te nemen, was ik me zeer bewust van de collega’s van persgroep News International aan de overkant van de tafel. Les Hinton, de vriendelijke maar toch vagelijk intimiderende chef van Rupert Murdochs mediabedrijf, zat recht tegenover me, met naast zich Rebekah Brooks, hoofdredacteur van The Sun, en Andy Coulson, van News of the World. Ik meed hun blikken toen ik zei dat de tabloids de hoogste oplages haalden maar het minste vertrouwen genoten. Ik vergeleek Britse journalisten met de supporters van voetbalclub Millwall, met hun befaamde yell ‘niemand kan ons uitstaan, dat kan ons niet schelen’. Ik wist wel wat Coulson 
en Brooks dachten: weer zo’n zedenpreek van een betweter die zijn eigen krant nauwelijks winst-gevend kan maken en gênant kleine oplagen heeft. 
In gedachten hoorde ik Piers Morgan alweer het 
standaardzinnetje debiteren waarmee hij me altijd 
op stang probeerde te jagen als we elkaar zagen: ‘Ik verkoop meer kranten in Cornwall dan jij in het hele land.’

Ik zwatelde maar door over vertrouwen. Hoe we dat waren kwijtgeraakt, hoe we het konden herwinnen, waarom het in de digitale wereld nog veel belang-rijker werd. Allemaal waar, maar ook wel erg braaf. Mijn drie collega’s van het Murdoch-consortium waren na afloop heel vriendelijk. Ze stelden voor om nog ergens te gaan borrelen, en zo belandden we in Soho House, waar we tot diep in de nacht bleven plakken. Zij trakteerden op champagne. Over mijn speech werd niet meer geluld. Het was gezellig. Brooks en Coulson zijn aangenaam gezelschap. 
Hinton heeft de goeiigheid van de veteraan die je niets meer kunt wijsmaken. Een sfeer van ouwe 
jongens krantenbrood.
Elf jaar later zat Coulson in de gevangenis, was 
Hinton opgestapt en Brooks verwikkeld in een zenuwslopende strafzaak – allemaal als gevolg van onthullingen door The Guardian. Die nacht in Soho House voelt nu als een tafereel uit een verdwenen wereld van journalistieke onschuld en argeloosheid. Misschien een raar woord om voor journalisten te gebruiken, argeloos. Maar destijds hadden we werkelijk nog geen idee wat er allemaal zat aan te komen.

Toen ik in 1976 de journalistiek in ging, werd je als beginner meestal in het diepe gegooid om de kneepjes van het vak in de praktijk te leren. Een week na mijn afstuderen verruilde ik de chique universiteitsgebouwen (uit 1428) voor het saaie naoorlogse 
kantoorgebouw van de Cambridge Evening News, een kilometer verderop. De twintigkoppige redactie van die krant (toen met een oplage van circa 50.000) telde weinig universitair opgeleide journalisten. Zulke bollebozen waren vreemde eenden in de bijt 
en werden met argwaan bekeken. Terecht: we waren passanten die in de provincie ervaring opdeden om daarmee een beter betaalde baan in de Londense pers te bemachtigen.