Die Welt  | Berlijn

Negenduizend Nigerianen zijn in het laatste anderhalf jaar uit Libië teruggebracht naar hun vaderland. De EU biedt steun bij het opnieuw opbouwen van een bestaan.

Op het vrachtvliegveld van Lagos houdt een Nigeriaanse politica een vlammend betoog. ‘Jullie moeten dankbaar zijn,’ roept ze de 160 migranten toe die zojuist uit het vliegtuig uit Libië zijn gestapt. ‘In de vorige groep waren er een paar die nog maar één been hadden. Of maar één oog. Maar jullie hebben alles om, met Gods hulp, te leven. 
Vergeet het nooit: hoop komt op kousenvoeten.’

Tegen de wand van de hangar zit Isaac. Negenentwintig, en te moe om enige hoop te hebben. Mager, zo’n vijftien kilo lichter dan toen hij dit voorjaar uit Nigeria vertrok, richting Europa. Vanmorgen nog zat hij, van alle illusies beroofd, in Libië, in Zuara, een van de centra van mensensmokkel in dat land. Daarna de terugvlucht, met hulp van de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM). Hoog boven 
de route over land waarop hij veertien maanden geleden bijna de dood vond. Om te kunnen instemmen met deze ode aan het leven is er te veel gebeurd.

Zwijgend lepelt Isaac zijn koude rijst met kip naar binnen. Naast de brandweerwagens staan de tafels waar zijn leven zojuist weer geformaliseerd is. Registratie, medische keuring, een briefje met telefoonnummers van de adviseurs van de IOM, een envelop met 40.000 naira, ongeveer 95 euro, voor de eerste paar dagen. Bovendien krijgt hij van medewerkers van een telecombedrijf een eenvoudige mobiele 
telefoon met een beetje beltegoed. Dit is alles wat 
hij heeft om opnieuw te beginnen.

De Europese Unie probeert voor degenen die dat willen de terugkeer naar hun vaderland aantrekkelijk te maken. Nigerianen zijn een van de belangrijkste doelgroepen. In 2017, toen de meerderheid van asielzoekers en migranten die naar Europa trokken nog in Italië aan land kwam, was Nigeria met 5232 geregistreerden (16 procent) het voornaamste land van herkomst, net als in het jaar daarvoor (21 procent). Het deel dat mag blijven is klein: in Duitsland kreeg minder dan een op de zes Nigerianen asiel. Behalve een gratis terugreis belooft het door de EU gefinancierde IOM-project ‘voor de meest kwetsbaren onder hen ook steun voor het opnieuw opbouwen van een bestaan, voor hun studie en voor medische kosten’. Ook 
president Muhammadu Buhari zegt: 
‘Ze moeten hier blijven en een manier vinden om onze economie vooruit te helpen in plaats van hun leven op het spel te zetten.’

Remigranten

Alleen al uit Libië zijn het laatste anderhalf jaar ongeveer 9000 Nigerianen door de IOM teruggebracht naar hun vaderland. Nog eens 1000 zijn er met hulp van de Nigeriaanse regering uit Libië teruggekeerd. De remigranten uit Europese landen komen daar nog bij. In 2017 zijn uit Duitsland 154 mensen vrijwillig, en 110 mensen gedwongen naar Nigeria teruggekeerd. Ook nu liggen die aantallen laag. De samenwerking met de Nigeriaanse autoriteiten is gecompliceerd.

In de verkiezingsstrijd in Nigeria is het geen onderwerp. Migratie is, in elk geval tot de folteringen in Libië bekend werden, normaal geworden. Twintig miljoen Nigerianen, 10 procent van de bevolking, wonen in het buitenland, meestal legaal. Het geld dat ze naar huis sturen 
is ongeveer 5 procent van het bruto nationaal product van Nigeria.
In de stad waar hij vandaan komt, Lagos, had Isaac zich uit de ergste armoede opgewerkt; door hard te werken bij een sloperij had hij het startkapitaal voor een schildersbedrijfje bij elkaar gebracht. Met succes: hij kreeg opdrachten, kocht een auto en een laptop. Daarop zag hij beelden van Duitse verfmengmachines. Daar ga ik naartoe, ik spaar een beetje en breng die machine mee naar Nigeria, dacht hij en hij verkocht alles. Hij had op het verkeerde paard gewed. Zijn verhaal lijkt op dat van talloze andere slachtoffers van illegale migratie in Afrika: ze worden bedrogen door mensensmokkelaars die steeds meer en steeds opnieuw geld vragen. Ontvoerd in Libië, opgepakt door milities, dwangarbeid, net zo lang tot de Europese droom plaatsmaakte voor de droom om te overleven.

Of hij bereid is zich een paar dagen te laten vergezellen? ‘Ja, iedereen moet mijn verhaal horen.’ Het is middernacht en er staan bussen klaar om de migranten naar het Lagos Airport Hotel te brengen, een dichtbijgelegen hotelkolos met een naargeestige charme.

Isaac wil in Lagos blijven, een bliksemsnel groeiende stad met meer dan twintig miljoen inwoners, die in Nigeria als de belofte van rijkdom gold lang voordat Europa dat was. In de jaren zeventig lokte de olie miljoenen mensen hiernaartoe, later kwam de trek naar de grote steden. De re-integratie verloopt hier op een heel eigen manier. De volgende morgen doet onder de migranten het gerucht de ronde dat predikant Temitope Balogun Joshua – door Forbes Magazine uitverkoren tot de op drie na rijkste predikant in Nigeria – hen heeft uitgenodigd. Ook Isaac gaat op weg. Vanuit de bus belt Isaac zijn broer Emmanuel, die na de dood van hun ouders hoofd van de familie is geworden. ‘Emmanuel, ik ben het, Isaac,’ zegt hij met schorre stem, hij is al dagenlang grieperig. Zijn broer antwoordt: ‘Mijn broer Isaac is dood. Wie ben jij?’ ‘Nee, ik ben het echt.’ ‘Je stem klinkt niet als zijn stem.’