Aeon  | Londen

Weer een mythe doorgeprikt. De eicel is geen passieve, afwachtende partij die in een gigantische marathon de snelste, fitste spermatozoïde beloont met een bevruchting. Sterker nog, zaadcellen zwemmen niet eens het hele traject zelf.

Voordat de wetenschap enig inzicht kreeg 
in de menselijke voortplanting, werd ervan uitgegaan dat nieuw leven spontaan ontstond, uit niet-levend materiaal. Daar kwam halverwege de zeventiende eeuw een klein beetje verandering in, toen het natuurvorsers (maar net) lukte om met het blote oog het vrouwelijke ovum, oftewel de eicel, te zien. Zij concludeerden dat alle leven al in aanleg aanwezig was sinds het moment van de goddelijke schepping; één persoon bestond binnen in 
de ander, in de eitjes van een vrouw, zoals de bekende Russische matroesjkapoppen. Deze kijk op de voortplanting, die ‘preformatie’ werd genoemd, paste goed in het straatje van de heersende klasse. ‘Door afstammelingen binnen in elkaar te plaatsen’, schrijft de Portugese ontwikkelingsbioloog en schrijfster Clara Pinto-Correia in haar boek The Ovary of Eve (‘Eva’s eierstok’, 1997), ‘kon het idee van de preformatie fungeren als een “politiek correcte” antidemocratische doctrine die impliciet het dynastieke stelsel legitimeerde – en natuurlijk hoorden de vooraanstaande natuurvorsers van de Wetenschappelijke Revolutie niet tot de dienende klasse’.

Je zou verwachten dat de voortschrijdende wetenschap, kijkend door haar heldere biologische lens, 
zou afrekenen met die matroesjkatheorie. Maar dat gebeurde helemaal niet – integendeel: toen de microscoop de onderzoekers uiteindelijk in staat 
stelde om niet alleen eicellen te zien maar ook zaadcellen, ging de preformatietheorie over in een nieuwe, zelfs nog patriarchalere politieke arrogantie. 
Nu gingen filosofen en enkele voortplantingsonderzoekers de eicel enkel zien als een passieve ontvanger, die lag af te wachten tot een krachtige spermatozoïde de boel op gang kwam brengen. En die spermatozoïde? Die bevatte in haar kopje een piepklein voorgevormd menselijk wezentje – een ‘homunculus’ om precies te zijn. De Nederlandse wis- en natuurkundige Nicolaas Hartsoeker, uitvinder van de schroefmicroscoop, beschreef die homunculus toen hij in 1695 voor het eerst een zaadcel in beeld kreeg. 
Hartsoeker zág niet werkelijk een homunculus in het kopje van de spermatozoïde, zo gaf hij indertijd toe, maar hij overtuigde zichzelf ervan dat die er wel was.

Krachtigere microscopen hebben de homunculus uiteindelijk naar de vuilnisbelt van de geschiedenis verwezen, maar in bepaalde opzichten is er weinig veranderd. Het meest opvallend leeft de erfenis van de homunculus voort in het hardnekkige idee van 
de eicel als de passieve partij bij de bevruchting, die afwacht tot de actieve spermatozoïde door een 
storm aan hindernissen heen weet te zwemmen, om het leven voort te zetten. Het is begrijpelijk – maar 
ongelukkig – dat een lekenpubliek deze onjuiste, seksistische paradigma’s en metaforen overneemt. Maar biologen en natuurkundigen maken zich er ook schuldig aan.

Wetenschappelijk sprookje

Relatief kort geleden, in het jaar 1991, lang nadat veel van de echte wetenschap in steen was gebeiteld, schreef de Amerikaanse antropoloog Emily Martin, die nu verbonden is aan de New York-universiteit, over ‘een wetenschappelijk sprookje’, zoals zij het noemde – het beeld van de eicel en de zaadcel dat 
het doet voorkomen alsof ‘vrouwelijke biologische processen minder waard zijn dan hun mannelijke tegenhangers’ en alsof ‘vrouwen minder waard zijn dan mannen’. Zo wordt bijvoorbeeld gezegd dat de eierstok van begin af aan slechts een beperkte voorraad eicellen heeft, die in de loop van een leven steeds verder uitgeput raakt, terwijl van de testikels wordt gezegd dat ze een leven lang nieuwe spermacellen produceren. De menselijke eicelproductie wordt algemeen ‘overtollig’ genoemd, omdat van 
de 300.000 eicellen die bij de puberteit aanwezig zijn, slechts zo’n vierhonderd rijpe eicellen ooit een eisprong zullen opleveren; toch wordt het bijvoeglijk naamwoord ‘overtollig’ zelden gebruikt voor de levenslange mannelijke productie van meer dan twee biljoen zaadcellen. Of het nu in de populaire of de wetenschappelijke pers is, de menselijke paring wordt meestal voorgesteld als een gigantische zwemmarathon waarin de snelste, fitste spermatozoïde als prijs de eicel mag bevruchten. Het zou al 
erg genoeg zijn als dit sprookje alleen maar een 
overblijfsel uit ons seksistische verleden was – een beledigende mannelijke fantasie, gebaseerd op onjuiste informatie. Maar het blijven teruggrijpen 
op dit soort bevooroordeelde informatie staat belangrijke ontwikkelingen in de behandeling van onvruchtbaarheid, zowel voor mannen als voor 
vrouwen, in de weg.

Om te begrijpen hoe het zo ver is gekomen, kan een rondje door de geschiedenis helpen. De wetenschap heeft pas relatief kort inzicht in geslachtscellen en het proces van menselijke conceptie. Een eicel, de grootste cel in een menselijk lichaam, is voor het blote oog nauwelijks zichtbaar, ongeveer zo groot 
als de punt aan het eind van deze zin. Tegelijkertijd 
is de kleinste menselijke lichaamscel, een spermatozoïde, zonder microscoop totaal onzichtbaar.

Tot 1677 waren zaadcellen in de wetenschap nog onbekend. In dat jaar keek de Nederlandse amateurwetenschapper Antoni van Leeuwenhoek als eerste via een microscoop naar menselijk sperma. Rond dezelfde tijd besefte men dat de menselijke eierstok eicellen produceerde, al duurde het nog tot 1827 voordat de Duitse bioloog Karl Ernst von Baer als eerste werkelijke waarnemingen van eicellen van mensen en andere zoogdieren meldde.

Na de ontdekking van de spermatozoïden door 
Van Leeuwenhoek duurde het nog een eeuw voordat iemand besefte dat die nodig waren om eicellen te bevruchten. Die onthulling kwam in de jaren zestig van de achttiende eeuw, toen de Italiaanse priester en natuurwetenschapper Lazzaro Spallanzani, in 
een experiment met mannelijke kikkers die strak-zittende broekjes aan hadden, aantoonde dat kikkereitjes zich niet tot kikkervisjes ontwikkelden als er geen kikkersperma in het omringende water terecht kwam. Voordat Spallanzani zijn ontdekking naar buiten bracht, dachten velen bizar genoeg – ook Van Leeuwenhoek enige tijd – dat spermatozoïden piepkleine parasieten waren die in het menselijk zaad leefden. Pas in 1876 toonde de Duitse zoöloog Oscar Hertwig de samensmelting van spermatozoïde en eicel aan bij zee-egels.