Haaretz  | Tel Aviv

De jonge onafhankelijke choreograaf Adi Boutrous is een van de drie Arabieren die danst in Israël. Omdat hij vanuit een politiek kader naar de werkelijkheid kijkt, levert zijn werk altijd creatieve conflicten op.

Twee duetten, een voor mannen en een voor vrouwen, vormen samen Submission, een nieuw werk van de jonge choreograaf Adi Boutrous. In beide duetten hebben de kijkers, net als de 
dansers, haast het gevoel te stikken.

Hoewel de naam, Submission, anders doet vermoeden, kent het stuk nauwelijks momenten van rust of overgave. Net zoals in een gruwelijke oorlog, waarin beide partijen weigeren de strijdbijl te begraven, is ook hier sprake van een 
vrijwel onafgebroken strijd – die tussen de dansers op het podium.

Begin augustus, een verzengende middag in de oefenruimte in de wijk Hatikva, in Tel Aviv. De airco kan het niet bolwerken. In zekere zin de ideale omstandigheden om naar dit werk te kijken.

Terwijl de twee vrouwelijke dansers, 
Anat Vaadia en Stav Struz, over het podium bewegen en een sfeer oproepen van dreiging en agressie, zweet en 
seksualiteit, hijgt de toeschouwer met hen mee. Het stuk van de mannen, gedanst door Avshalom Latucha en Boutrous zelf, roept bij het publiek 
eenzelfde energie op, eenzelfde gevoel van dreiging.

Submission raakt aan kwesties als gender en genderrollen, conflicten en de mogelijkheden om daaraan te ontsnappen, seksualiteit en waar die toe zou kunnen leiden. Maar voor Boutrous speelt er meer.

‘Wat mij fascineert is contact, de manier waarop mensen elkaar raken,’ zegt hij. ‘Dat interesseert me in mijn werk. 
Wanneer ik naar een ballet kijk, of meer in het algemeen, houdt het me bezig hoe mensen elkaar raken. Ik vind het fascinerend hoe mensen een gemeenschappelijke ruimte delen en zich daarin bewegen.

Ik maak deel uit van een minderheid en hoe ik mijn identiteit definieer, hoe ik mijn identiteit ervaar, zie je terug in mijn werk,’ voegt hij eraan toe. ‘Wat er 
op het podium gebeurt, houdt verband met hoe ik me voel – en dat kan agressief en manipulatief zijn, gerelateerd aan een conflict, maar het kan ook 
zachtmoedig en ruimhartig en steunend zijn.’

Wereldwijde première

Boutrous (29) is een van de interessantste onafhankelijke choreografen binnen de wereld van de 
hedendaagse dans, en niet alleen vanwege zijn |ongebruikelijke levensloop. Submission is zijn vijfde werk sinds hij in 2012 als choreograaf debuteerde.

Het stuk heeft zijn wereldwijde première beleefd in het Suzanne Dellal Center in Tel Aviv. Het werd financieel ondersteund door deze dansinstelling 
en door een Franse sponsor, La Faïencerie Théâtre-Cinéma.

Boutrous begon zich pas op zijn achttiende serieus bezig te houden met dans en kreeg zijn eerste echte les op zijn negentiende – een leeftijd waarop de meeste dansers hun opleiding afronden en zich bij een gezelschap aansluiten. Sindsdien heeft hij een lange en fascinerende weg afgelegd.

Boutrous’ ouders zijn christelijke Arabieren uit 
Nazareth. Hij groeide op in Beër Sjeva, een stad in 
het zuiden, waar zijn ouders naartoe waren verhuisd vanwege het werk van Boutrous’ vader, die loodgieter is. Het gezin woont inmiddels al enkele jaren in Omer, een kleine, goeddeels Joodse plaats net buiten Beër Sjeva.

Om kort te gaan, Boutrous heeft vrijwel zijn hele leven in een Joodse omgeving gewoond. In tegen-
stelling tot zijn broers en zussen – hij is de jongste van vijf – kan hij Arabisch lezen noch schrijven. 
Maar in al zijn werk speelt identiteit een rol, zelfs, 
of misschien juist wanneer hij probeert zich te ontworstelen aan de rol van vaandeldrager.
‘Ik ben opgegroeid in Beër Sjeva, ik zie er niet uit als een Arabier, en het is de mensen in mijn omgeving ook niet meteen duidelijk,’ zegt hij. ‘Daarom voelen mensen zich bij mij op hun gemak, praten ze makkelijk, vertellen ze me allerlei dingen.’ Maar,’ zegt 
hij, ‘aan de andere kant hoor en voel ik overal het racisme en ik merk hoe er wordt gepraat over mijn etniciteit, over Arabieren. Ik ben me ervan bewust hoe mensen over Arabieren denken, hoe Arabieren worden afgeschilderd in Hollywood-films en hoe overal beelden worden opgeroepen van de Arabier. Die agressie en die spanning, die voel ik, en die komen tot uiting in mijn werk. Ik zou geen werk kunnen maken dat honderd procent goedmoedig 
en utopisch is.’