Foreign Affairs | Washington

Volgens de ‘oosterse’ SCO-top verschuift het beeld van een wereldorde van het Westen naar het Oosten.

De Shanghai Cooperation Organisation (SCO), in 2001 zonder veel tromgeroffel opgericht met ‘regionale veiligheid’ als doel, wint aan belang. ‘Sommige politieke waarnemers spreken van een nieuw niet-westers platform voor wereldwijd bestuur, of kwalificeren de organisatie als een nieuw model van internationale betrekkingen,’ schrijft de voorzitter van de journalistenvereniging in Tasjkent (Oezbekistan) in het digitale magazine The Diplomat.

Zijn land behoorde tot de eerste zes lidstaten van de SCO, samen met China, Rusland, Kazachstan, Kirgizië en Tadzjikistan.

Met de toetreding van India en Pakistan in 2017 vertegenwoordigt de SCO nu ‘bijna de helft van de wereldbevolking, een kwart van het bij elkaar opgetelde mondiale bruto nationaal product, en bijna 80 procent van het Euraziatische grondgebied’. Die toetreding van de twee rivaliserende kernmachten werd overigens door de secretaris-generaal van de VN, António Guterres, destijds begroet als ‘een nieuw forum bij het zoeken naar een oplossing voor hun conflict’, zo merkt de Oezbeekse journalist op.

De mogelijkheid van een verdere uitbreiding doet zich voor met de kandidatuur van Afghanistan en Iran. Dat laatste land was overigens al vertegenwoordigd door zijn president Hassan Rouhani tijdens de top in Qingdao, in de Chinese provincie Shandong, in juni jongstleden.

Herschikking

In tegenstelling tot de G7, die op hetzelfde moment bijeen was in Canada, een ‘westerse’ top waar de onderlinge onenigheid voor het oog van de hele wereld breed werd geëtaleerd, bood de samenkomst in Qingdao het beeld van ‘een wereldorde die van het Westen naar het Oosten schuift’, schrijft Catherine Putz, de hoofdredactrice van The Diplomat. ‘Het samenvallen van beide topontmoetingen heeft de volgende discrepantie aan het licht gebracht: het Westen valt uiteen terwijl het Oosten zich versterkt.’

In de slotverklaring van Qingdao, gekneed uit overeenstemmende meningen over wederzijde samenwerking en het oplossen van conflicten langs vreedzame weg, werd de nadruk gelegd op het idee van de ‘herschikking’ van het geopolitieke landschap.

Maar het blijft een feit dat India, in tegenstelling tot alle andere lidstaten van de SCO, zich niet kon vinden in het Chinese initiatief voor nieuwe ‘zijderoutes’. En dat de uitbreiding van vorig jaar de SCO niet immuun maakt voor onderlinge conflicten. ‘Ongetwijfeld kan de G7 het mandaat van Trump wel uitzitten,’ zo schrijft Putz. ‘Maar kan de SCO een ernstige wrijving tussen India en Pakistan overleven, of een verslechtering van de betrekkingen tussen India en China?’