Nijgh & Van Ditmar / 360 | Amsterdam

Johann Hari lijdt al sinds zijn puberteit aan depressies, en begon ook al jong met het nemen van antidepressiva. Hij kreeg – net als vele anderen – te horen dat zijn probleem werd veroorzaakt door een chemische onbalans in zijn hersenen. Eenmaal volwassen kwam hij erachter dat de oorzaak ergens heel anders moet worden gezocht.

Inleiding: een raadsel

Ik was achttien toen ik met antidepressiva begon. Ik stond voor een apotheek in een winkelcentrum in Londen in een bleek Engels zonnetje. Het pilletje was wit en klein, en toen ik het doorslikte voelde het als een chemische kus.

Die ochtend was ik bij mijn huisarts geweest. Ik had hem uitgelegd dat ik me nauwelijks een dag kon herinneren waarop ik geen lange huilbui had gehad. Al vanaf mijn vroege jeugd – op school, op de universiteit, thuis, met vrienden – moest ik vaak even weglopen om in mijn eentje te kunnen huilen. En niet zomaar een paar tranen. Het waren echte snikken. En zelfs als er geen tranen kwamen, ging er bijna voortdurend een angstige monoloog door me heen. Ik vermaande mezelf dan: dat zit allemaal in je hoofd. Laat het los. Wees niet meer zo slap.

Ik schaamde me destijds om het te zeggen; ik schaam me nu om het te typen.

In elk boek over angst of depressie van een ervaringsdeskundige staat – in nog zwaardere bewoordingen – een lang verhaal over de ellende die de auteurs zelf hebben meegemaakt. Dat was ooit nodig, toen anderen nog niet wisten hoe het is om een angststoornis of depressie te hebben. Dankzij de mensen die dat taboe decennia geleden hebben doorbroken, hoef ik niet ook zo’n boek schrijven. Daarover ga ik het hier dus niet hebben. Maar neem maar van mij aan: het was afzien.

Een maand voordat ik bij de huisarts binnenwandelde, lag ik huilend op een strand in Barcelona terwijl de golven over me heen spoelden toen ik ineens de verklaring wist – waarom dit gebeurde, en wat ik eraan moest doen