Athenaeum – Polak & Van Gennep / 360 | Amsterdam

Veel toeristen staan vreemd te kijken wanneer ze in Turkije op ruïnes van Griekse steden stuiten, of ontdekken dat Napels een Griekse naamgeving is. Nog onbekender is dat er Griekse steden waren tot in de uitlopers van de Himalaya. Matyszak laat zien welke culturen van invloed waren op het Oude Griekenland, en zo indirect op de westerse wereld.

Proloog

In de oudheid omvatte de Griekse wereld in tijd en ruimte veel meer dan wat wij vandaag de dag ‘Griekenland’ noemen. Tegenwoordig staan veel toeristen raar te kijken wanneer ze in Turkije op ruïnes van Griekse steden stuiten. Maar ook bloeiende steden als het Italiaanse Napels (Nea Polis, ‘nieuwe stad’) en het Franse Marseille (Massalia) zijn van oorsprong Grieks, en minstens net zo oud. Sterker nog, Ai-Khanoem in het noorden van Afghanistan werd rond 275 v.Chr. door de Griekse heerser Seleucus I gesticht als Alexandrië aan de Oxus. En dat is nog maar een van de tientallen vroegere Griekse steden die verspreid liggen in Centraal-Azië.

Op haar hoogtepunt omvatte de Griekse beschaving een gebied dat zich meer dan duizend kilometer ten oosten en ten westen van het Griekse vasteland uitstrekte. Syrië, Egypte en Babylonië zijn hellenistische koninkrijken geweest. En veel van die beroemde Grieken waar je op de middelbare school over leert zijn zelden of nooit in Griekenland zelf geweest. Denk aan Herodotus, Sappho, Euclides, Pythagoras en Archimedes.

Er bestaan veel boeken over de geschiedenis van het klassieke Griekenland, maar de klassieke periode vormt slechts een klein deel van de geschiedenis van de Grieken uit de oudheid. De rest is grotendeels in de vergetelheid geraakt en wordt hooguit aangestipt als andere culturen te maken kregen met Grieken. Dit boek kiest de omgekeerde benadering. Het Griekse vasteland komt er nauwelijks aan bod: de focus ligt bij de Grieken elders in de antieke wereld, met name in wat wij nu aanduiden als het Midden-Oosten en Centraal-Azië. Veel Grieken beschouwden die gebieden destijds eenvoudigweg als hun ‘thuis’.

Dit boek vertelt het verhaal van de Grieken buiten Griekenland. Het beslaat een periode van meer dan tweeduizend jaar, van prehistorische Griekse nederzettingen aan de oevers van de Zwarte Zee tot aan de val van de laatste grote Griekse stad in de middeleeuwen, het machtige Constantinopel. Tussen deze twee momenten hebben we het over de opkomst van Griekenland als grote mogendheid in het Egeïsche Zeegebied, de veroveringen door Alexander en over de uitgestrekte hellenistische koninkrijken na hem, die samen net zo groot waren als het latere Romeinse rijk. We zullen ook zien dat de Griekse beschaving in Klein-Azië en het Midden-Oosten nauwelijks beïnvloed werd door de komst van de Romeinen en dat het Byzantijnse rijk in de lange periode na de Romeinen in vrijwel alle opzichten terugkeerde naar zijn Griekse wortels.

Alle zeven wereldwonderen van de antieke wereld – de grote piramide van Gizeh, de vuurtoren van Alexandrië, de hangende tuinen van Babylon, de Kolossus van Rhodos, de Artemistempel, het standbeeld van Zeus in Olympia en het mausoleum van Halicarnassus – werden gebouwd ofwel door Grieken, ofwel in landen die later onder Griekse overheersing zouden staan. Maar slechts één ervan, het standbeeld van Zeus, bevond zich op het Griekse vasteland zelf.

De Griekse wereld in brede zin vormde een fascinerende combinatie van enorme denkkracht, diepe menselijkheid en een sterk gevoel voor esthetiek. De mensen die deze wereld bevolkten, van decadente despoten en excentrieke genieën tot fenomenale kunstenaars, hebben een diepgaande invloed uitgeoefend op de ontwikkeling van de westerse beschaving. In dit boek zullen we zien dat ze nog steeds onder ons zijn, al hebben we het niet in de gaten.

Dit is hun verhaal.

1. De Grieken voor de tijd van Alexander

Rond 1200 v.Chr. maakte het antieke Griekenland deel uit van een samenhangend cultuurgebied dat volop in ontwikkeling was en dat zich uitstrekte van Indië tot aan het westelijke Middellandse Zeegebied. Op dit hoogtepunt van de bronstijd liepen er handelsroutes van Brittannië tot ver in Azië. Een Egyptische farao kon begraven worden met om zich heen kruiken uit Mesopotamië, olijfolie uit Cyprus, cederhout uit Libanon en bronzen voorwerpen die tin uit Wales bevatten. Het was de tijd van de Hethieten, de minoïsche stierspringers op Kreta en de ‘paleiscultuur’ van het Myceense Griekenland, een wereld die zou voortleven in de legendes over Hercules en Helena van Troje. Deze wereld was ontwikkeld, verfijnd, welvarend – en ten dode opgeschreven.

Het noodlot dat toesloeg was verschrikkelijk en het is nog steeds onbegrepen. In de jaren tussen 1050 en 1000 v.Chr. werden vrijwel alle steden van enig belang in de antieke wereld geplunderd en verwoest. Zelfs het machtige Egypte, met zijn natuurlijke verdedigingslinies van zee en woestijn, werd op grote schaal belaagd door de Hyksos, de zeevolkeren, en onder die druk verviel het land bijna tot anarchie. De hethietische en de minoïsche beschaving, die niet zulke sterke natuurlijke grenzen hadden, werden van de aardbodem weggevaagd. De handel stortte ineen, bevolkingsaantallen liepen dramatisch terug en in het westelijke Middellandse Zeegebied begon een ‘donkere periode’ die meer dan tweehonderdvijftig jaar geduurd heeft.

De geleerden zijn het er niet over eens wat nu precies de oor zaak van deze ineenstorting was. Er is gedacht aan vulkaanuitbarstingen, en dan met name de grote uitbarsting van de vulkaan Thera (het huidige Santorini), die klimaatveranderingen tot gevolg hadden. De Thera spuwde naar schatting zo’n zestig kubieke kilometer aan puin de atmosfeer in; de invloed die dat op het weer had werd tot in China opgemerkt en vastgelegd. Maar ook invasies door barbaren, heftige epidemieën en een economische crisis zijn wel gesuggereerd als mogelijkheden. En als deze fenomenen niet de oorzaak van de donkere periode waren, dan hebben ze er in elk geval wel aan bijgedragen.

Griekenland met zijn Myceense beschaving werd niet gespaard. In alle steden die daar zijn opgegraven hebben archeologen sporen van verwoesting uit deze periode aangetroffen. Er hebben zich in de laatste decennia van de elfde eeuw v.Chr. de vreselijkste dingen afgespeeld, waaronder brandschatting en plundering. De lijken werden niet begraven maar bleven gewoon op straat liggen. De overlevenden trokken zich terug in afgelegen valleien en in versterkingen boven op heuvels. In de daaropvolgende decennia verleerden de mensen het schrijven, en het economisch verkeer werd gereduceerd tot ruilhandel tussen naburige dorpen.

De Griekse bevolking veranderde van samenstelling. In latere Griekse tradities is sprake van de Doriërs, een volk dat zichzelf aanduidde als ‘de zonen van Hercules’ en dat vanuit de Balkan naar het zuiden trok, waarna het het grootste deel van de Peloponnesus in bezit nam. Later identificeerden de Grieken zichzelf ofwel met de oorspronkelijke Ioniërs en Arcadiërs, ofwel met deze binnenvallende Doriërs (vooral de Spartanen zagen zichzelf als Dorisch).

Als gevolg van de Dorische invasie sloegen de oorspronkelijke bewoners van de Peloponnesus op de vlucht. Ze vestigden zich in soms verafgelegen streken en stonden zo aan de wieg van het Griekse rijk dat in de daaropvolgende periode zou opkomen. Althans, zo zagen de oude Grieken dat zelf. Recent onderzoek heeft uitgewezen dat het plaatje in werkelijkheid een stuk complexer was. Om te beginnen is het niet duidelijk of de Doriërs de oorspronkelijke bevolking hebben verdrongen of zich ermee hebben vermengd. Het kan ook nog zijn dat zijzelf de eerste bewoners van het schiereiland waren. In elk geval is de ineenstorting van de Myceense beschaving niet alleen aan de Doriërs te wijten. Maar in dit boek kijken we niet zozeer naar oorzaken als wel naar gevolgen, en het gevolg van de ineenstorting in de donkere periode was hoe dan ook dat de Griekse beschaving zich verspreidde over het hele Middellandse Zeegebied en daarbuiten.