Lebowski / 360 | Amsterdam

De Joodse Otto Silbermann weet in 1938 te ontsnappen aan de nazipogroms, maar verliest daardoor alles: zijn bezittingen, zijn waardigheid en uiteindelijk ook zijn verstand. Zelfs wanneer hij, gek geworden van angst, opgesloten wordt in een inrichting, blijft hij geloven in het goede van de mens.

Hoofdstuk een

Becker stond op, drukte zijn sigaar uit in de asbak, knoopte zijn jasje dicht en legde zijn rechterhand beschermend op Silbermanns schouder. ‘Het beste, Otto. Ik denk dat ik morgen alweer in Berlijn ben. Als er iets is, kun je me gewoon in Hamburg bellen.’

Silbermann knikte. ‘Doe me een plezier,’ zei hij, ‘en ga niet gokken, je hebt te veel geluk in de liefde. Bovendien is het… ons geld dat je verliest.’

Becker lachte zuur. ‘Waarom zeg je niet jóúw geld?’ zei hij. ‘Heb ik soms ooit…?’

‘Dat niet,’ onderbrak Silbermann hem snel, ‘ik maakte maar een grapje, dat weet je, maar toch: je bent echt roekeloos. Als je eenmaal begint te gokken weet je van geen ophouden, en helemaal als je eerst die cheque hebt geïncasseerd…’

Silbermann brak zijn zin af en ging op rustige toon verder. ‘Ik heb het volste vertrouwen in je. Tenslotte ben je een verstandig mens. Maar ondanks dat is het zonde van elke mark die je op de speeltafel achterlaat. En omdat we compagnons zijn, maakt het voor mij geen verschil of je jouw geld verliest of het mijne.’

Beckers brede, goedmoedige gezicht vertrok even van ergernis, maar het klaarde meteen weer op.

‘We hoeven elkaar niets wijs te maken, Otto,’ zei hij luchtig. ‘Als ik verlies, verlies ik uiteraard jouw geld, want ik heb nu eenmaal niets.’ Hij onderdrukte een lachje.

‘We zijn partners,’ herhaalde Silbermann nadrukkelijk. ‘Natuurlijk,’ zei Becker, nu weer serieus, ‘maar waarom praat je dan tegen me alsof ik nog steeds je ondergeschikte ben?’

‘Heb ik je gekwetst?’ vroeg Silbermann met een ondertoon van subtiele ironie en lichte schrik.

‘Nee hoor,’ antwoordde Becker trouwhartig, ‘oude vrienden zoals wij! Drie jaar westelijk front, twintig jaar samenwerking en verbondenheid. Kerel, kwetsen kun je me niet, hooguit een beetje irriteren.’

Hij legde zijn hand opnieuw op Silbermanns schouder. ‘Otto,’ zei hij met krachtige stem, ‘in deze onzekere tijden, in deze duistere wereld, is er maar één ding dat telt, en dat is vriendschap, echte mannenvriendschap! Laat dat je gezegd zijn, ouwe jongen, voor mij ben je een man. Een Duitser, geen Jood.’

‘Jawel, ik ben wel een Jood,’ zei Silbermann; hij kende Beckers voorliefde voor ontactisch en kernachtig taalgebruik, en vreesde dat Becker zijn trein zou missen als hij op zijn onbehouwen maar goedbedoelde wijze begon te oreren. Maar Becker had een van zijn sentimentele buien en liet zich daar geen seconde van afpakken.

‘Ik wil nog iets zeggen,’ riep hij uit, zonder acht te slaan op de nervositeit van zijn vriend, bij wie hij al zo vaak zijn hart had gelucht. ‘Ik ben nationaalsocialist. God weet dat ik je nooit iets anders heb voorgespiegeld. Als je een Jood was als de andere Joden, gewoon een echte Jood, was ik waarschijnlijk altijd je procuratiehouder gebleven en nooit je compagnon geworden. Ik ben geen excuusgoj, maar jij bent een gemankeerde ariër, dat weet ik zeker. Marne, IJzer, Somme, wij met zijn tweeën, man! Je moet van goeden huize komen om mij te vertellen…’

Silbermann keek of hij de kelner ergens zag. ‘Gustav, je mist je trein nog,’ onderbrak hij Becker.

‘Dat kan me niks schelen.’ Becker ging weer zitten. ‘Ik wil nog een glas bier met je drinken,’ verklaarde hij geëmotioneerd.

Silbermann sloeg met zijn vuist op tafel. ‘Voor mijn part ga je in de restauratiewagen door met drinken,’ antwoordde hij geprikkeld. ‘Ik heb nu een bespreking.’

Becker snoof verongelijkt. ‘Zoals je wilt, Otto,’ antwoordde hij toegeeflijk. ‘Als ik antisemiet was zou ik dat commandotoontje niet zo makkelijk accepteren. Wat zeg ik, ik accepteer het nooit! Van niemand. Behalve van jou.’

Hij stond weer op, pakte zijn aktetas van tafel en zei lachend: ‘En dat beweert dat hij een Jood is.’ Met gespeelde verbazing schudde hij zijn hoofd, knikte Silbermann nogmaals toe en verliet de Wachtkamer Eerste Klasse.

Zijn vriend keek hem na. Bezorgd constateerde Silbermann dat Becker nogal onvast op zijn benen stond, tegen de tafeltjes stootte en krampachtig rechtop liep, zoals altijd wanneer hij erg dronken was.

Dat hij compagnon is geworden heeft hem geen goed gedaan, dacht Silbermann, hij had procuratiehouder moeten blijven. Als procuratiehouder was hij betrouwbaar, zwijgzaam en beleefd, een prima medewerker. Maar zijn geluk doet hem geen goed. Als hij maar niet alles op het laatste moment verknoeit. En hopelijk gaat hij niet gokken.

Silbermann fronste zijn voorhoofd. ‘Zijn geluk heeft hem incompetent gemaakt,’ mompelde hij ontstemd.

Nu pas kwam de kelner waar hij eerder tevergeefs naar had uitgekeken.

‘Zit je hier eigenlijk om op de kelner of om op de trein wachten?’ informeerde hij op scherpe toon, want hij had een afkeer van iedere vorm van nonchalance en was in een slecht humeur.

‘Mijn verontschuldigingen,’ antwoordde de kelner, ‘in de Tweede Klasse dacht een heer dat er een Jood tegenover hem zat en daar beklaagde hij zich over. Maar het was helemaal geen Jood, het was een Zuid-Amerikaan, en omdat ik een beetje Spaans spreek werd ik erbij gehaald.’

‘Het is al goed.’ Silbermann stond op. Zijn mond versmalde tot een streep, en de kelner werd getroffen door de strenge blik in zijn grijze ogen.

Hij probeerde Silbermann wat te kalmeren. ‘Het was echt geen Jood,’ verzekerde hij. Kennelijk hield hij zijn gast voor een bijzonder rechtlijnig partijlid.

‘Het kan me niet schelen. Is de trein naar Hamburg al vertrokken?’

De kelner keek op de klok boven de uitgang naar de perrons. ‘Twintig over zeven,’ dacht hij hardop, ‘de trein naar Maagdenburg vertrekt nu. De trein naar Hamburg gaat om vierentwintig. Als u opschiet, haalt u hem nog. Ik wou dat ik ook eens achter een trein aan kon rennen, maar ons soort mensen…’

Hij veegde met zijn servet een paar kruimels van het tafellaken. ‘Het beste zou zijn,’ bedacht hij, het vorige onderwerp weer oppakkend, ‘als Joden een gele band om hun arm moesten dragen. Dan kon je je in elk geval niet vergissen.’

Silbermann keek hem aan. ‘Bent u echt zo wreed?’ vroeg hij zachtjes, en voordat hij was uitgesproken had hij al spijt van zijn woorden.

De kelner keek of hij hem niet goed had verstaan. Hij was zichtbaar verbaasd maar kreeg geen argwaan, omdat Silbermann over geen van de kenmerken beschikte waaraan je volgens de leer van de rassenkundigen een Jood kon herkennen.

‘Mij maakt het allemaal niet uit,’ zei de kelner voorzichtig, ‘maar anderen zou het goed uitkomen. Mijn zwager ziet er bijvoorbeeld een beetje Joods uit, hoewel hij echt een ariër is, maar tegenwoordig moet hij dat overal uitleggen en aantonen. Dat kun je iemand op de duur niet aandoen.’

‘Nee, dat zal wel niet,’ zei Silbermann instemmend. Hij betaalde en vertrok.

Ongelooflijk, dacht hij, gewoon ongelooflijk… Hij liep het station uit, stapte in een taxi en ging naar huis. Het was druk op straat en hij zag opmerkelijk veel uniformen. Krantenverkopers brachten luid schreeuwend hun bladen aan de man en Silbermann had de indruk dat ze gretig aftrek vonden. Even overwoog hij ook een krant te kopen, maar hij zag ervan af want hij had geen zin in het vermoedelijk slechte en in elk geval voor hem vijandige nieuws dat hij vroeg genoeg te horen zou krijgen.

Mijn hele bestaan berust alleen op het slechte geheugen van de mensen die mijn bestaan als zodanig willen vernietigen. Ze zijn me vergeten, ik ben al gedegradeerd