Mail & Guardian   | Johannesburg

De scoutingbeweging is groter dan welke rebellengroep ook in de geteisterde Centraal-Afrikaanse Republiek. Misschien is het wel het effectiefste vredesleger van allemaal.

Het is begin september en de diverse humanitaire hulp-
organisaties in Bangui, de hoofdstad van de Centraal-Afrikaanse Republiek (CAR), vrezen het ergste. 
De ebola-uitbraak in buurland Congo maakt een dodelijke opmars en de kans is groot dat deze overslaat naar een afgelegen gebied in het oosten van de CAR, waar gewapende groeperingen de dienst uitmaken. Op een donderdag-
ochtend bereiken paniekerige berichten over mensen met inwendige bloedingen de hoofdstad. Misschien zijn ze besmet met ebola.

Die informatie moet worden geverifieerd. Klopt het? Is het inderdaad ebola? De regering heeft geen enkel gezag over de oostelijke uithoek van het land, en door de geweldsuitbarstingen zijn er geen internationale organisaties actief. Het ontbreekt aan gezondheids-klinieken en een betrouwbaar communicatienetwerk, dus er valt niet te 
checken of de informatie klopt, zonder een helikopter met zwaar bewapende vredessoldaten in te zetten, wat een gevaarlijke, peperdure operatie is. 
Maar er is nóg een optie: de scouts inschakelen.

Milities

Na vijf jaar burgeroorlog kun je de 
CAR niet met goed fatsoen een land noemen. Goed, er is een vlag, er is een volkslied en er zijn grenzen, maar wat zich binnen die grenzen afspeelt, wordt niet gereguleerd door iets wat ook maar enigszins op een traditionele staat lijkt. De regering in Bangui, overeind gehouden door een heel legioen aan vredessoldaten, heeft alleen controle over een paar gebieden rondom de hoofdstad en in het westen.

De rest van het land is verdeeld onder een tiental milities die continu van gezicht veranderen en steeds wisselende 
territoria beheersen. Het is zelfs zo dat sommige groeperingen tegen de tijd dat er vredesbesprekingen worden gehouden, inmiddels niet meer bestaan en dat nieuwe groeperingen, die juist niet bij de besprekingen zijn betrokken, de kop hebben opgestoken. Soms lijkt het alsof de rebellen zelf 
niet eens precies weten waar ze voor vechten.

Vaak is het geweld doordrenkt van religieuze motieven: de ‘goede’ christelijke soldaten binden de strijd aan met ‘de terroristen’, de vervolgde moslims beschermen hun geterroriseerde minderheidsgroep, maar nog vaker gaan de gevechten over de steeds schaarsere voedselbronnen.
In Bangui wemelt het van de uniformen: VN-soldaten met hun opvallende lichtblauwe helmen, militairen met rode baretten in hun versleten plunje, gendarmerie in het blauw.

De rebellen in de stad, die zich voornamelijk in de moslimwijk schuilhouden, laten zich minder vaak zien. En dan heb je nog 
de leden van de verschillende takken van de scoutingorganisatie, de Central African Boy Scouts Movement, in hun uniform.
Ze lijken op elkaar, met hun kaki blouse, shorts, kousen en keurig gestrikte sjaaltjes, en je ziet ze regelmatig in groepjes door de stad lopen. Als je goed kijkt, zie je de behaalde insignes op hun korte mouwen: voor houtbewerking, koken, navigatie.

Scouting is ongekend populair in de CAR: volgens de organisatie zelf telt het land rond de twintigduizend scouts, maar door de burgeroorlog is het lastig om de statistieken precies bij te houden. (Ter vergelijking: het land telt 14.787 VN-soldaten.) De scouts zijn 
vertegenwoordigd in alle zestien provincies en in bijna ieder bisdom. Hiermee is de scoutingbeweging groter dan welke rebellengroep ook, en sterker verankerd. Door de strikte, hiërarchische structuur heeft de beweging de klappen van de burgeroorlog overleefd en ze is een van slechts een handjevol nationale instellingen – waaronder ook de katholieke kerk – waarvan je redelijk zeker kunt zijn dat wanneer in Bangui een beslissing wordt genomen, die elders in het land wordt uitgevoerd.