Süddeutsche Zeitung  | München

In IJsland, Estland en Servië is de relatie tussen staat en burger volledig gedigitaliseerd; Estland geldt zelfs als rolmodel in Europa wat betreft ‘e-government’. Dat is geen toeval: de drie premiers van de landen zitten geregeld met elkaar om de tafel.

Natuurlijk zijn IJsland, Estland en Servië heel verschillende landen, in heel verschillende delen van Europa. Het eerste land ligt hoog in het noorden en heeft maar 340 duizend inwoners, van wie sommigen beweren dat ze op een eiland vol elfen en trollen wonen. Het tweede is met 1,3 miljoen inwoners iets kleiner dan München en was ooit een Sovjetrepubliek. En in het derde land hoef je niet heel oud te zijn om over de laatste 
oorlog te kunnen vertellen: nog maar twintig jaar geleden zetten navo-bommenwerpers hier koers naar Belgrado.

Drie landen, drie verschillende geschiedenissen, maar met één belangrijke overeenkomst: ze boeken veel vooruitgang op het gebied van digitalisering. Estland geldt al jaren 
als voorbeeldland op digitaal gebied, IJsland is eveneens hard op weg en 
Servië wil ook zo’n land worden. De redenen daarvoor zijn alleen wel weer heel divers.

Op een regenachtige novemberdag in Berlijn zitten de premiers annex ‘digitaliseerders’ gezamenlijk te lunchen in hotel Adlon. Ze kennen elkaar, ontmoeten elkaar regelmatig, noemen elkaar bij de voornaam: IJslands minister-president Katrín Jakobsdóttir, haar Estse collega Jüri Ratas en de Servische minister-president Ana Brnabic. Op een dergelijke bijeenkomst gaat het 
er in eerste instantie heel analoog aan toe: begroeting met een handdruk, 
uitwisseling van ervaringen, smalltalk.

Jakobsdóttir is sinds een jaar premier van IJsland en heeft iets op poten gezet wat in Duitsland waarschijnlijk de ‘Jamaica-coalitie’ zou worden genoemd [de combinatie van partijkleuren van de Duitse cdu/csu, de fdp en de Groenen is die van de Jamaicaanse vlag]. Zij, de Links-Groene, staat aan het hoofd van een groen-geel-zwarte coalitie. 
Ze is moeder van drie zonen en komt uit een land waar vrouwen volgens 
de statistieken zo’n beetje de beste 
promotiekansen ter wereld hebben.

Diverser

Jakobsdóttir heeft twee grote doelen. Ten eerste de afschaffing van de ongelijke betaling van vrouwen en mannen. Zo is er begin 2018 in IJsland een wet in werking getreden die werkgevers verplicht vrouwen voor gelijk werk een gelijk salaris te betalen. Maar haar belangrijkste doel is de digitalisering. IJsland is ‘een heel bijzonder land’, aldus Jakobsdóttir.

‘Trends verspreiden zich snel en dan kan het weleens gebeuren dat vrijwel iedereen in het land hetzelfde kerstcadeau krijgt. Rond de financiële crisis in 2008 was dat een IJslandse wollen trui, toen in de mode.’ Juist daarom zou ze graag willen ‘dat we in ons kleine land nog veel diverser worden’. In een land waar evenveel mensen wonen als in een middelgrote Duitse stad, is digitalisering sneller te realiseren dan bijvoorbeeld in Duitsland. 95 procent van de IJslandse bevolking heeft toegang tot internet en het aantal start-ups neemt razendsnel toe. De minister-president zelf gebruikt sociale media vooral als politicus; privé praat ze liever rechtstreeks met de mensen. Maar, zo vertelt ze, zonder Messenger zou ze haar man, die niet zo graag belt, waarschijnlijk niet hebben leren kennen.

IJsland, het land dat ooit vooral leefde van visvangst, aluminium en toerisme, is met zijn hete bronnen en geisers een bijzonder soort mijn geworden: in grote serverparken in het zuiden van het land worden nieuwe bitcoins gedolven. IJsland geldt als het eldorado van de miners: het land is van zichzelf al koel, wat het eenvoudiger maakt om de computercentra te koelen. Daarbij komt nog een overvloed aan goedkope stroom uit duurzame energie.

In de wereld van Ana Brnabic gaat het om heel andere dingen: de Servische minister-president is net begonnen met het digitaliseren van haar land. 
Ze zegt: ‘Servië behoorde niet tot de winnaars van de Derde Industriële Revolutie, dus we moeten ervoor vechten om tot de winnaars van de Vierde Revolutie te behoren.’