El Estímulo  | Caracas  

Nog niet zo lang geleden was Venezuela een florerende oliestaat waar het geld niet op kon. Nu wordt het land geteisterd door armoede en verval, met dank aan oud-president Hugo Chávez en zijn economische wanbeleid.

Toen president Chávez in december 1998 voor het eerst werd gekozen, erfde hij een onrustige economie. Het aarzelende herstel, twee jaar daarvoor ingezet dankzij een deels door het IMF gefinancierd saneringsplan, werd verstoord door een keldering van de olieprijs op de wereldmarkt. In 1998 daalde de olieprijs met 35 procent, het laagste niveau in 25 jaar en tevens het laagste tot nog toe.

Maar vanaf dat moment ging de olieprijs alleen maar omhoog. Slechts twee keer was er een substantiële terugval: in 2009 (een daling van 36 procent) en 2015 (49 procent). Het idee dat de olieprijs ad infinitum zou blijven stijgen, veroorzaakte onder bevolking en bestuurders een steeds erger wordende ‘renteniersziekte’, die inmiddels geldt als een van de ingekankerde kwalen van Venezuela.

Die renteniersziekte manifesteerde zich in de opvatting dat de opbrengsten van de olie, eigendom van de staat, opgesoupeerd konden worden zonder zich te bekommeren om de diversificatie van de economie als bron van welvaart. Wat die aandoening nog versterkte, was de onjuiste opvatting dat schaarste en inflatie te wijten waren aan woeker en dat daarom de prijzen van overheidswege moesten worden vastgesteld.

In de twintig jaar dat de bomen tot in de hemel leken te groeien, werd er alleen maar aan potverteren gedaan, zonder iets aan de productiviteit te doen. De overvloed zorgde ervoor dat iedereen het breed liet hangen en alleen maar schulden maakte en, vooral, dat er niet gespaard werd. Het devies was: uitgeven, binnen en buiten Venezuela.

Lange arm van de staat

Dankzij de overvloed had de regering een almachtige status die het vermogen gaf om in elke sector van de economie in te grijpen. En dat deed ze ook, vanuit de gedachte dat ze alle nadelige gevolgen met geld kon afkopen of met economische dwangmaatregelen de kop kon indrukken. De willekeur van de macht, de bevoegdheden van de president en de omvang van de overheid namen schrikbarend toe en de staatsfinanciën werden een puinhoop, met als onvermijdelijk gevolg corruptie en het vastlopen van de economie.

Na de politieke crisis van 2002 drong de lange arm van de staat nog dieper door tot de haarvaten van de samen-leving. Het hele economische reilen en zeilen werd een hypergecontroleerde ruimte waarin de overheid zich manifesteerde als enige weldoener.

De bedreigingen, de volledige uitholling van het recht op privé-eigendom, de gedwongen onteigeningen zonder vergoeding en de rechtsschendingen kweekten een sfeer van onzekerheid 
en wantrouwen. De particuliere 
investeringen stagneerden en zakten uiteindelijk helemaal in, en de ontwaarding van de bolivar op de zwarte markt werd, hoe kan het ook anders, een constante van het dagelijks leven in Venezuela. Het gebrek aan economisch vertrouwen, dat weer leidde tot minder ondernemerszin, had ook tot gevolg dat lenen op de internationale kapitaalmarkt steeds moeilijker en duurder werd.