New Statesman | London

Een van de geduchtste tegenstanders van Theresa May is de Noord-Ierse politicus Arlene Foster. Haar partij kan het verschil maken tussen wel of geen brexit. Maar de prijs is hoog, en Foster strijdlustig.

In 2001 brak een burgeroorlog uit bij Cooper Wilkinson, een advocatenkantoor in Enniskillen, Noord-Ierland. De plaatselijke parlementariër voor de Ulster Unionist Party (uup), Ken Maginnis, ging met pensioen en er werd gevochten om zijn opvolging. Zijn campagneleider James Cooper (50), partner bij voornoemd advocatenkantoor, was de verwachte opvolger, maar hij werd uitgedaagd door een van zijn werknemers, Arlene Foster, een 30-jarige advocate.

In tegenstelling tot Cooper was Foster tegen het in 1998 gesloten Goedevrijdagakkoord, omdat ze bezwaar had tegen de verplichte vrijlating van republikeinse terroristen. Het akkoord had Noord-Ierland een stroeve vrede gebracht, maar ook voor een tweedeling gezorgd in de uup, destijds de grootste partij van de unionistische meerderheid die werd geleid door David Trimble.

Foster, afgestudeerd aan de Queen’s Universiteit in Belfast en daar lid van de radicale vleugel, was een van de vooraanstaande dissidenten van de uup. Ze betoogde dat Cooper zijn zetel zou kwijtraken aan Sinn Féin als hij de opvolger zou worden. Cooper won de strijd, maar Fosters gelijk werd aangetoond toen hij bij de verkiezingen zijn zetel verloor. Nog geen drie jaar later was Foster van de uup overgestapt naar Ian Paisleys Democratic Unionist Party (dup), die zij nu leidt.

Met haar geringe compromisbereidheid is Foster, inmiddels 48, een bron van kopzorgen voor de Britse premier Theresa May. De tien parlementsleden van de dup, van wie May afhankelijk is voor een meerderheid in het parlement, weiger[d]en haar brexitdeal te steunen. Foster is niet een van hen, maar wel de belangrijkste Noord-Ierse politicus sinds The Troubles [het conflict tussen Noord-Ierse unionisten en separatisten, ook wel tussen protestanten en katholieken, dat speelde tussen de jaren zestig tot het Goedevrijdagakkoord in 1998]. Haar strijdlustige reputatie heeft haar een bijnaam bezorgd die geen recht doet aan haar charme en hartelijkheid: Snarlene (snarl = ‘snauw’). Desalniettemin heeft ze zich opgewerkt tot een prominent politicus met meerdere ministersposten op haar cv.

IRA-bom

Foster werd in 1970 geboren als Arlene Kelly en groeide op als lid van een protestantse minderheid in het rurale County Fermanagh, dicht bij de grens die haar politieke carrière zou bepalen. Op een avond in 1978 werd haar vader John Kelly, een boer en voormalig politieman, door het hoofd geschoten terwijl hij zijn vee verzorgde.

Arlene, die destijds nog maar acht jaar oud was, zag hem bebloed de keuken binnenkruipen (de vermoedelijke schutter, Séamus McElwaine, werd later als held vereerd door Martin Guinness van Sinn Féin). Haar vader overleefde het en leefde nog 32 jaar, maar zijn gezin moest de boerderij verlaten en verhuizen van het grensgebied naar de stad Lisnaskea.

Daarvandaan reisde de jonge Arlene Kelly met de bus naar het gymnasium in Enniskillen, een rit die op een ochtend in 1988 werd onderbroken door een ira-bom (de chauffeur was ook militair). Deze afschuwelijke ervaring – waarbij geen dodelijke slachtoffers vielen – zou Foster een onverwacht voordeel opleveren: ze is misschien wel de enige Britse politicus die door Jeremy Paxman [een Britse journalist en presentator, bekend om zijn ruwe, confronterende interviewstijl] enigszins mild is geïnterviewd.

Nadat ze in 2003 in het Noord-Ierse parlement was gekozen, werd ze na haar overstap naar de dup door Peter Robinson, Paisleys sluwe secondant, als talent ontdekt. Ze volgde hem op als de eerste vrouwelijke leider van de dup en van Noord-Ierland in 2016, toen ze samen met McGuinness premier werd.