Sixth Tone | Sjanghai

Chinese dokters nemen massaal ontslag of scholen zich om. Was het ooit aantrekkelijk om arts te worden, tegenwoordig staat het beroep garant voor overvolle werkweken tegen slechte betaling.

Toen Huang Xin in 2006 zijn artsendiploma haalde, was dat een van de mooiste dagen van zijn leven. Er wachtte hem een baan op de afdeling Dermatologie van een groot ziekenhuis in Sjanghai en hij verheugde zich op een lange, respectabele carrière in de publieke gezondheidszorg. Maar acht jaar later, toen hij net 33 jaar was, nam een uitgeputte Huang ontslag. ‘Ik had het gevoel dat het ziekenhuis noch mijn patiënten goed begrepen of waardeerden wat ik waard was,’ vertelt hij. ‘Ik voelde me net een arbeider aan een lopende band, die dezelfde medicijnen aan dezelfde soort patiënten voorschreef.’

Huang is bepaald niet de enige jonge arts die een uitweg zoekt. Hoewel het totale aantal Chinese dokters toeneemt en de hoeveelheid banen stabiel blijft, is tussen 2005 en 2016 het aantal praktiserende artsen van tussen de 25 en 34 afgenomen van 31 tot 23 procent, volgens China’s hoogste gezondheidsautoriteit. In dezelfde periode is het aantal artsen van boven de 60 jaar gestegen van 2 tot 12 procent. De exodus vindt plaats in een zorgsysteem dat al zwaar overbelast is: volgens de Wereldgezondheidsorganisatie heeft China maar één huisarts per 6666 mensen, ver onder de internationale norm van een op de 1500 tot 2000 mensen.

Lage lonen

Veel mensen die ontslag nemen, geven daar lage lonen, overuren en conflicten met patiënten als reden voor op. Een vorig jaar gepubliceerd overheidsrapport kwam tot de conclusie dat het gemiddelde beginsalaris voor jonge artsen rond de 4850 yuan (627 euro) per maand ligt – een stuk lager dan het gemiddelde startsalaris van 6000 yuan (776 euro) in Sjanghai. En terwijl de meeste Chinese artsen officieel gemiddeld vijftig uur per week werken, zijn volgens hen de vele onbetaalde overuren vrijwel verplicht. Mishandeling van medisch personeel komt vaak voor in de gezondheidszorg; per jaar worden er honderdduizend gewelddadige incidenten gemeld.

Toen Huang enthousiast begon, dacht hij dat hij wist wat hem te wachten stond. Hij verwachtte geen enorm salaris, maar vond troost in de gedachte dat artsen in China vrijwel hun hele leven werk konden vinden met een stabiel inkomen en kans op tijdige promoties. Huang wist ook dat Chinese artsen, net als die in andere landen, hoog in maatschappelijk aanzien staan – vooral als ze in een groot gemeentelijk ziekenhuis werken.

In het begin liep alles op rolletjes. Zoals verwacht was Huangs salaris aan de lage kant: ‘Slechts een paar duizend yuan per maand,’ zegt hij, al wil hij het exacte bedrag niet noemen. Maar hij meende dat zijn loon snel zou stijgen als hij promotie kreeg en in het algemeen vond hij het prettig werken op de dermatologieafdeling, waar de aandoeningen van de patiënten weliswaar onprettig of gênant waren, maar zelden levensbedreigend.

Toch begon Huang genoeg te krijgen van zijn baan. Allereerst merkte hij dat zijn salaris door de jaren heen laag bleef – zelfs toen het leven in Sjanghai steeds duurder werd. En omdat de artsen die er al langer werkten relatief jong waren en niet van plan waren te vertrekken, was er weinig vooruitzicht op promotie.