The Guardian | Londen

Als het vertrouwen onder een bepaald niveau zakt, gaan veel mensen de politiek en alle publieke instituties als één grote poppenkast beschouwen, schrijft politiek analist William Davies. Dat komt dan niet alleen doordat het vertrouwen in het algemeen is gedaald, maar omdat belangrijke publieke figuren, mensen die de samenleving moeten vertegenwoordigen, onbetrouwbaar worden gevonden.   

Al eeuwenlang berusten moderne samenlevingen op iets wat zo wijdverbreid en doodgewoon is dat we er nauwelijks nog bij stilstaan: vertrouwen. Dat miljoenen mensen dezelfde opvatting kunnen hebben over de werkelijkheid, is een bijzondere verworvenheid – maar ook een die kwetsbaarder is dan vaak wordt beseft. Zolang openbare instituties als de media, de overheid en de wetenschap breed vertrouwen genieten, vragen we ons zelden af waaraan ze dat verdienen. Maar het succes van de liberale democratie berust niet zozeer op feiten als op een geloof, een sprong in het diepe: we vertrouwen erop dat overheidsfunctionarissen, verslaggevers, deskundigen en politici eerlijkheid betrachten als ze ons van informatie voorzien.

De idee dat publieke figuren en deskundigen in wezen betrouwbaar zijn is bepalend voor de gezondheid van de representatieve democratie. De kern van de liberale democratie is immers de gedachte dat een kleine groep mensen – politici – miljoenen anderen kunnen vertegenwoordigen. Zo’n stelsel kan alleen werken als er een zeker vertrouwen bestaat dat die kleine groep zich in ieder geval een deel van de tijd inzet voor de belangen van de veel grotere groep. Het afgelopen decennium heeft wel aangetoond dat niets bij kiezers zo’n afkeer van de liberale democratie wekt als de schijn van corruptie: het al dan niet terechte vermoeden dat politici macht nastreven uit eigenbelang.

En het gaat niet alleen om de politiek. Een groot deel van onze kennis over de wereld berust op vertrouwen: vertrouwen in de kranten, deskundigen, overheden en omroepen die ons informeren. Iedereen neemt weleens iets met eigen ogen waar, maar veel van wat wij als redelijke waarheden beschouwen krijgen we van anderen te horen. Als we accepteren dat de economie met één procent is gegroeid of horen over een medische doorbraak, is die nieuwe kennis een kwestie van vertrouwen: we vragen ons niet automatisch af of de betrokken wetenschappers of journalisten wel deugen.

Het hele bouwwerk dat wij ‘waarheid’ noemen, berust grotendeels op het vertrouwen dat wij erin hebben. Ga maar na hoe we aan onze kennis over klimaatverandering komen: wetenschappers verzamelen en analyseren gegevens, waarover ze een artikel schrijven dat anoniem wordt beoordeeld door andere wetenschappers, die ervan uitgaan dat de gepresenteerde data kloppen. Na publicatie worden de bevindingen met journalisten gedeeld in persberichten, opgesteld door de publiciteitsafdeling van de universiteit. Vervolgens verwachten we dat omroepen en kranten daar eerlijk en objectief verslag van doen. Ambtenaren schrijven toespraken voor hun bewindslieden waarin die op de feiten reageren en aangeven wat de regering op dit vlak al heeft bereikt.

Duizenden Brexiteers gingen op 9 december de straat op voor de Brexit Betrayal March. Een tegendemonstratie werd gehouden uit verzet tegen de controversiële populist Tommy Robinson, die de mars georganiseerd zou hebben. – © Getty Images