El Espectador  | Bogotá

De Belgische ingenieur Danile Debouck heeft in Colombia de grootste bonenverzameling ter wereld aangelegd. Hiermee helpt hij alternatieven te vinden tegen de rampzalige gevolgen van klimaatverandering voor de landbouw. Bijna alle zaden, 30.000, zijn opgeslagen in een genetisch archief.

De afgelopen veertig jaar heeft Daniel Debouck zich beziggehouden met het verzamelen, classificeren en bewaren van duizenden soorten zaden van bonenrassen, cassaveplanten en grassoorten. Het zou goed kunnen dat er niemand op de wereld is die zo veel verstand van bonen heeft als Debouck. In de enorme koelruimtes van het genetische archief van het Internationaal Centrum voor Tropische Landbouw (CIAT) in Palmira, waar Debouck werkt met een team van tachtig man, worden op 18 graden onder nul 37.987 verschillende soorten bonenzaden en 23.140 grassoorten (voor veevoer) bewaard, die bij elkaar het genetisch erfgoed van 142 landen vormen.

Debouck werkte tot 1977 bij het ministerie van Landbouw in België en kwam in Colombia terecht met het plan zich daar twee jaar aan de wetenschap te wijden. Die twee jaar werden er 42. Eerst was hij technicus bij de Voedsel- en Landbouworganisatie (FAO) van de Verenigde Naties en sinds 1996 stuurt hij het Programma voor genetische hulpbronnen van het CIAT aan. Debouck: ‘Zie ons als de curatoren van deze bonenverzameling, in wezen het eigendom van andere landen. Aan ons de taak erop te passen.’

Sinds een aantal jaren stromen er bij de zadenbank van het CIAT e-mailverzoeken binnen van wetenschappers uit de hele wereld die genetisch materiaal zoeken dat resistent is tegen schimmels, hoge temperaturen of zouten. Wetenschappers speuren naarstig naar zaden waarmee gewassen duurzaam kunnen worden verbouwd, in verband met het scenario dat het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC) vier maanden geleden voorspiegelde: de komende twintig jaar zal de aarde met 1,5 procent opwarmen als gevolg van de klimaatverandering, waarvan de impact groter is dan we hadden verwacht.

Dit betekent dat piekperiodes van droogte en overstromingen elkaar zullen afwisselen en dat het neerslagpatroon verandert. Gewassen lopen de kans te worden aangetast, vooral tijdens hun kwetsbaarste periode: die van bloei en vruchtvorming. Wordt die cyclus verstoord, dan kan de oogst grotendeels of helemaal mislukken.

Diversiteit

Voor de boeren uiteraard een groot probleem, maar ook geen vrolijk toekomstbeeld voor stedelingen en een stap terug voor de 3,6 miljoen Colombianen die van een minimumsalaris – of minder – moeten rondkomen, doordat levensmiddelen schaars en duur zullen worden. ‘De landbouw zal het in de nabije toekomst moeten doen met water van slechtere kwaliteit, omdat het wellicht te zout is geworden. Willen we in de toekomst de voedselvoorziening op peil houden, dan moeten we soorten zoeken die beter bestand zijn tegen zout water,’ aldus Debouck.

Landbouwwetenschappers en landbouwkundig ingenieurs zoals Debouck observeren en documenteren al zestig jaar lang hoe bemesting en chemische gewasbeschermingsmiddelen bijdragen aan een grotere biodiversiteit en een grotere resistentie tegen ziektes, schimmels, droogte of langdurige regenval. Maar volgens Debouck ligt de oplossing in de gebruiken van onze Amerikaanse voorouders die bonen, aardappelen en cassave veredelden tot de nieuwe, sterkere soorten die vandaag de dag vier miljard monden voeden. Het enige wat ze deden was gebruikmaken van de diversiteit die planten eigen is.

Debouck vertelt dat vóór de komst van Columbus de boon voorkwam in een gebied dat zich uitstrekte van ongeveer halverwege de Verenigde Staten tot aan de Centrale Vallei in Chili. Het was niet één unieke soort, het waren vijf verschillende bonensoorten die de inheemse bevolking verkregen door maïs, boon en pompoenen te kruisen. Ze hoefden slechts van elke soort de zaden te selecteren die het beste gedijden in de lokale omstandigheden (ze beschikten immers niet over moderne technieken en hulpmiddelen). ‘Die biodiversiteit was er niet zomaar, ze diende een doel: er moest voedsel worden geproduceerd onder verschillende condities en de enige mogelijkheid om iets duurzaams te krijgen, was gebruik te maken van die diversiteit,’ legt de plantendeskundige uit. ‘Daarom is een laboratorium als het onze zo belangrijk. Wij bewaren zo veel mogelijk bonensoorten. Want we weten niet wat ons nog te wachten staat.’

De wetenschapper geeft een trieste opsomming van tientallen beschavingen met een falende landbouw – waarvan velen niet meer bestaan. Hij wijst naar een replica van een stenen, met bespikkelde bonen beschilderde kruik van de Mochica, een inheemse Peruaanse beschaving die de woestijnachtige vallei van de rivier de Moche veranderde in vruchtbare grond. Het rivierwater dat uit de Andes naar beneden stroomde, geleidden ze een andere kant op en met bakstenen bouwden ze een netwerk van talrijke aquaducten, waarvan er vandaag de dag nog veel in gebruik zijn. Zo ontwikkelden ze een landbouw met wel dertig verschillende soorten gewassen. Maar na dertig jaar regenval restte enkel nog modder, en de drie decennia droogte die daarop volgde (van 563 tot 594 v. Chr.), reduceerde de hoeveelheid beschikbaar water. In de loop van de drie volgende eeuwen waaierde de bevolking uit, verhongerde en hield op te bestaan.