The Guardian   | Londen

Gretige jagers zijn bereid een klein fortuin neer te tellen om wilde dieren dood te schieten. 
Het avontuur trekt, de adrenaline, tal van redenen. Het grootste probleem is dat de complexiteit van het wildbeheer de meeste ontgaat.

Het grootste aantal olifanten dat Ron Thomson ooit eigenhandig heeft gedood, tijdens één jacht, is 32. Het kostte hem ongeveer een kwartier.

Thomson groeide op in Rhodesië, het huidige Zimbabwe, waar hij als tiener begon te jagen en daar al snel zeer bedreven in werd. Sinds 1959 werkte hij als parkwachter in nationale parken en werd hij regelmatig ingeschakeld om dieren te doden die in conflict waren gekomen met de mens. ‘Ik vond het reuze opwindend, om heel eerlijk te zijn,’ zegt hij door de telefoon, vanuit Kenton-on-Sea, het kleine kustplaatsje in Zuid-Afrika waar hij woont. ‘Sommige mensen vinden jagen net zo geweldig als anderen het verwerpelijk vinden. Toevallig vind ik het geweldig.’

Thomson is inmiddels 79 en heeft al tientallen jaren geen olifant meer geschoten. Het kost hem moeite om een onbevooroordeeld publiek te vinden voor zijn verhalen over hoe hij – om zijn eigen woorden te gebruiken – ‘zonder enige twijfel meer dieren heeft geschoten dan wie ook’. Vandaag de dag zijn er mensen die jagen, maar er zijn nog veel meer mensen die er een diepgewortelde afkeer van hebben: mensen die het beeld van een dier dat is geslacht door een mens – ongeacht de soort, de beweegredenen, de legitimiteit of zelfs de historische context – stuitend vinden.

Tandarts Walter Palmer naast zijn trofee (niet de leeuw CeciL) in Zimbabwe. – © HH