Aeon   | Londen  

We regelen steeds meer belangrijke zaken in het leven met een druk op de knop. Geven knoppen een illusoir gevoel van controle? Is dat wat we willen? Critici en voorstanders worden het er niet over eens.

Het indrukken van knoppen speelt een centrale rol in ons werk, ons spel en onze communicatie. Maar weerstand tegen de knop en alles waar die voor staat heeft een lange geschiedenis. Al in 1903 klaagde de Franse markies Boni de Castellane in de krant:

‘Je hoeft geen woord meer te spreken om te worden bediend. Je stapt ergens binnen, drukt op een knop en krijgt meteen een smakelijke lunch voorgeschoteld. Tien seconden later begin je het koud te krijgen. Je drukt weer op een knop en hup, als bij toverslag wordt het haardvuur ontstoken. Elektrische knoppen beheersen de wereld, schaffen afstanden af en maken korte metten met de noodzaak om vooruit te denken of überhaupt nog na te denken.’

Zoals veel mensen in die tijd werd de markies heen en weer geslingerd tussen romantisch optimisme en morele angst voor de industrialisering. ‘Denkt u niet,’ vroeg hij zich af, ‘dat deze wonderbaarlijke vermenigvuldiging van machinerie de wereld vreselijk eentonig en verwend zal maken? Niet langer met mensen hoeven omgaan, maar louter van dingen afhankelijk zijn!’ Het leven zou al te gemakkelijk en simpel worden, veel te routineus als je met een simpele druk op de knop in al je behoeften kon voorzien. De afhankelijkheid van machines zou ten koste gaan van de mens, meende Castellane, en zijn angstige voorspelling luidde dat ‘al te grote vereenvoudiging alle vreugde uit het leven zal bannen’.

Luiheid en privileges

Tot ver in de twintigste eeuw blijft die afkeer van knoppen de kop opsteken, met de daarmee gepaard gaande nostalgie naar een tijd waarin er nog geen knoppen bestonden, en de overtuiging dat een man van de daad in direct contact moet staan met de wereld. In het verhaal ‘The “Push-the-Button” Man’ (1924) van Frank Dorrance Hopley vindt hoofdpersoon Carey het aanvankelijk een heerlijk vooruitzicht om de hele dag van achter zijn bureau met een druk op de knop anderen aan het werk te kunnen zetten. Maar uiteindelijk moet hij die knoppen uitbannen en radicaal saboteren om zijn leven terug te krijgen:

‘Hij nam plaats achter zijn bureau en keek naar het knoppenpaneel dat hem bijna fataal was geworden. Twaalf knoppen zaten erop, witte, zwarte en rode. Carey pakte zijn mes en sneed het snoer door dat ze met de andere bureaus verbond.’

Het paneel viel op de grond. Carey raapte het op, trok een vel papier uit een vakje en schreef: ‘Ik stuur je de knoppen van mijn bureau, aangezien ik ze niet langer nodig heb. Bewaar ze maar als aandenken aan vroeger. Ik leg het vanavond wel uit.’

Carey komt tot inkeer, snijdt zich letterlijk en figuurlijk van de knoppen af en omarmt het Amerikaanse ideaal van de selfmade man: ‘Het zou de moeite waard zijn, in de wereld daarbuiten, waar mannen hun succes op eigen kracht bereikten, waar ze het heft in eigen hand namen, waar je zuiver op je merites werd beoordeeld – en waar nooit iemand aan de knoppen zat.’

Hopleys verhaal was een waarschuwing tegen bureaucratie en de hegemonie van de druk op de knop, een pleidooi voor mensen die zichzelf omhoog vochten. De knop stond voor luiheid en privileges, voor ongelijkheid en een hiërarchische managementcultuur. Net als Boni de Castellane zag Hopley maar één uitweg voor zijn hoofdpersoon (en voor de samenleving als geheel): de terugkeer naar een wereld zonder knoppen.