The Atlantic  | Washington

Volgens Yuval Harari kan kunstmatige intelligentie, of AI, veel van de praktische voordelen van democratie ondermijnen, en de idealen van vrijheid en gelijkheid uithollen. Als we niets doen om dat te voorkomen, zal AI een verdere concentratie van macht bij een kleine elite in de hand werken.

Democratie is allesbehalve voor de hand liggend. Democratieën mogen de afgelopen eeuw, of zelfs langer, nog zo succesvol zijn geweest, vanuit historisch oogpunt zijn ze onbeduidend. In de geschiedenis van de mens zijn monarchieën, oligarchieën en andere vormen van autoritaire heerschappij veel gebruikelijkere bestuursvormen.

De opkomst van constitutionele democratieën wordt in verband gebracht met idealen van vrijheid en gelijkheid, die vanzelfsprekend en onomkeerbaar lijken. Maar die idealen zijn veel kwetsbaarder dan wij denken. Dat de democratieën in de twintigste eeuw zo succesvol zijn geweest had vooral te maken met unieke technologische omstandigheden, die wel eens van voorbijgaande aard zouden kunnen blijken.

In het tweede decennium van de eenentwintigste eeuw heeft het liberalisme ingeboet aan geloofwaardigheid. Steeds meer mensen beginnen zich af te vragen in hoeverre een constitutionele democratie in staat is zorg te dragen voor de middenklasse – de politiek krijgt in toenemende mate tribale trekken en in steeds meer landen zien we leiders op het toneel verschijnen met een hang naar demagogie en autocratie. De redenen van deze politieke verandering zijn complex, maar ze lijken in ieder geval een duidelijke samenhang te vertonen met de huidige technologische ontwikkelingen. De technologie waar democratie bij gedijde is aan het veranderen en gezien de ontwikkelingen op het gebied van kunstmatige intelligentie lijkt het aannemelijk dat die verandering zal doorzetten.

De informatietechnologie gaat met grote sprongen vooruit; biotechnologie geeft ons steeds meer inzicht in ons innerlijk leven – onze emoties, onze gedachten, de keuzes die we maken. Infotechnologie en biotechnologie zullen samen een aardverschuiving teweegbrengen binnen de menselijke samenleving, ze zullen onze daadkracht uithollen en mogelijk onze verlangens ondermijnen. Het is niet ondenkbaar dat onder dergelijke omstandigheden de constitutionele democratie en de vrijemarkteconomie hun langste tijd hebben gehad.

Buitenspel

De gewone man zal niet tot in detail begrijpen wat kunstmatige intelligentie en biotechnologie behelzen, maar hij merkt wel dat hij wordt ingehaald door de toekomst. In 1938 zag het leven voor de gewone man in de Sovjet-Unie, Duitsland of de Verenigde Staten er misschien niet al te rooskleurig uit, maar hem werd wel voortdurend voorgehouden dat niets op de wereld zo belangrijk was als hij en dat hij de toekomst belichaamde (vooropgesteld natuurlijk dat hij ook echt ‘de gewone man’ was, dus bijvoorbeeld geen vrouw of Jood). Hij keek naar de propagandaposters – waarop vrijwel onveranderlijk mijnwerkers en staalarbeiders in heroïsche poses stonden afgebeeld – en zag zichzelf weerspiegeld in dat beeld: ‘Ik ben die poster! Ik ben de held van de toekomst!’

De gewone man van tegenwoordig heeft steeds meer het gevoel dat hij er niet toe doet. In TED Talks, in denktanks van de overheid en tijdens hightechcongressen wordt op opgewonden toon gestrooid met kreten als globalisering, blockchain, genetische manipulatie, AI, machine learning – en de gewone man (m/v) bekruipt het gevoel dat die termen geen van alle op hem van toepassing zijn.

In de twintigste eeuw is de massa in opstand gekomen tegen het feit dat ze werd uitgebuit en heeft gezocht naar manieren om haar cruciale belang voor de economie te vertalen naar politieke macht. Vandaag de dag is de massa vooral bang buitenspel te worden gezet, ze is erop gebeten haar laatste restje politieke macht in de strijd te werpen voor het te laat is. De brexit en de opkomst van Donald Trump laten dan ook een ontwikkeling zien die tegengesteld is aan die van de traditionele socialistische revoluties.

De Russische, Chinese en Cubaanse revoluties werden gevoerd door mensen die van essentieel belang waren voor de economie maar die geen politieke macht hadden. In 2016 werden de brexit en Trump veelal gesteund door mensen die nog wel iets van politieke macht hadden maar die bang waren hun economische waarde te verliezen. Het is denkbaar dat populistische revoluties in de eenentwintigste eeuw zich niet zullen richten tegen een economische elite die de gewone man uitbuit, maar tegen een economische elite die hem niet langer nodig heeft. Het zou weleens een verloren strijd kunnen blijken. Het is veel moeilijker om te strijden tegen overbodigheid dan tegen uitbuiting.