The Jerusalem Post  / The Independent / 360

Jacinda Ardern, de premier van Nieuw-Zeeland, heeft gezworen nooit de naam in de mond te zullen nemen van de misdadiger die een slachting heeft aangericht in twee moskeeën. Haar beleid wekt lof, maar ook weerstand.

Nee

De recente aanslag in Nieuw-Zeeland heeft ons er weer eens van doordrongen dat terrorisme overal kan toeslaan. Een van de belangrijkste doelen van terroristen is angst zaaien. Ze imiteren andere aanslagen en proberen misschien zelfs vergeldingsacties uit te lokken, zodat ze hun ‘interculturele oorlog’ kunnen voortzetten. In dit soort gevallen wordt vaak gezegd dat we ‘slechts kunnen hopen’ dat de veiligheidsdiensten erin slagen nieuwe aanslagen te verijdelen. Maar we kunnen meer doen dan hopen, we kunnen hélpen, door te zorgen dat de moordenaar geen al te grote bekendheid krijgt.

Niet alleen bracht de Australische terrorist in de rechtbank van Nieuw-Zeeland de groet van de wit-nationalisten, ook had hij de namen van zijn ‘helden’ op zijn wapens geschreven, duidelijk in de hoop dat ooit zijn eigen naam zou prijken op het wapen van een toekomstige moordenaar, of dat hij als martelaar zou worden bijgeschreven in de geschiedenisboeken. Het lijdt geen twijfel dat enkele terroristische moordenaars van de laatste jaren – Christchurch, Orlando, Nice, Sydney en Manchester – zich hebben laten leiden door extremisten die een vergelijkbaar idee van raciale superioriteit aanhangen, of die delen in hun kwalijke kijk op bepaalde culturen en religies.

Wat al deze terroristen bindt, is hun verlangen om in één klap uit te groeien tot een beroemdheid of een martelaar