The Guardian   | Londen

Achter de uitleen van kunst op internationaal niveau – vorig jaar veertig miljoen transacties – gaat een ingewikkeld logistiek web schuil dat de hele wereld omspant. Bij het vervoer van het masker van Toetanchamon werd destijds een RAF-vliegtuig ingeschakeld.

Gerestaureerde beelden van geesten en engelen worden hersteld op de koepel van de kerk van Val-de-Gras in Parijs. De beelden, die zestien geesten en acht engelen voorstellen, hebben zwaar geleden onder erosie en luchtvervuiling. – © Getty

Op een ochtend, vorig jaar zomer, stond ik al vroeg in een museum in Antwerpen toe te kijken terwijl er een schilderij aan de muur werd gehangen. Toen ik binnenkwam, was de zaal verlaten. Aan de ene kant stond een kist van 1 bij 1 meter. Koningsblauw, en zonder opschrift, afgezien van een codenummer en een gele, gedrukte tekst: ‘Lato da aprire/Open this side’. Hoewel het schilderij dat erin zat Florence als thuisbasis had, was het zeer bereisd: het was de vorige avond gearriveerd vanuit Sicilië, over de weg en onder gewapend escorte. De kist zag er heel gewoontjes uit. Dat was ook precies de bedoeling, werd me gezegd.

Van het ene op het andere moment was het een drukte van belang: de conservator van de tentoonstelling, een buitenlandse restaurator, een tolk en een specialist renaissancekunst stormden de zaal binnen, met een klein gevolg. Twee behoudsmedewerkers, met handschoenen aan en met een ernstige blik in de ogen, liepen naar een tafel. Op die tafel lagen een tang, meetlinten en een elektrische schroevendraaier, alles zo precies neergelegd dat het haast het instrumentarium in een operatiezaal leek.

Terwijl de groep luidruchtig formulieren uitwisselde en er wat in de lucht werd gekust, gaf de buitenlandse restaurator, die het schilderij op de reis had vergezeld, sotto voce instructies aan de behoudsmedewerkers. De kist werd plat op de vloer gelegd, het deksel werd eraf geschroefd en het schuimrubber vulmateriaal werd verwijderd. De schroeven waarmee het schilderij aan de muur zou worden bevestigd, werden ter goedkeuring getoond; er volgde 
een kort, instemmend knikje. Het enige geluid was afkomstig van de piepende zolen van de behoudsmedewerkers.

Op het moment dat de laatste laag schuimrubber werd verwijderd, weerkaatste een gouden schittering in het plafond van de zaal. Ik maakte me zo lang mogelijk en wist een glimp op te vangen van de rand van Caravaggio’s Een jongen gebeten door een hagedis, een van zijn spectaculairste vroege meesterwerken – een jong gelaat, vertrokken in afgrijzen en pijn, 
een lichaam dat terugdeinst, donkere ogen en rode wangen. Voorzichtig legden de medewerkers het schilderij, een van de twee gesigneerde versies, op 
de tafel. Er steeg applaus op. Het was alsof er een beroemdheid in ons midden was neergedaald.