Il Venerdì di Repubblica  | Rome 

In de schoenwinkel is Made in Italy een garantie voor kwaliteit en verfijning. Maar het kan ook een teken zijn van uitbuiting. Italiaanse naaisters maken vaak al sinds hun tienerleeftijd voor een paar eurocent de duurste schoenen.

In de Via La Greca, een steegje in het oude centrum van het dorp Buonabitacolo in het uiterste zuiden van de regio Campania, zit een groep vrouwen van middelbare leeftijd voor een portiek. Ze zijn bezig met het naaien van elegante schoenen voor de herfst- en wintercollecties van een aantal gerenommeerde modemerken. Met enige regelmaat halen ze een nieuw paar tevoorschijn uit een doorzichtige plastic zak. Ieder heeft haar eigen plastic zak, die ze na afloop van het werk weer moet inleveren. Een van hen wil wel praten, maar alleen als ze de garantie krijgt dat ze anoniem blijft. Ze laat het paar schoenen zien dat ze aan het afwerken is – duidelijk leesbaar is het merk Ferragamo. Het zal worden verkocht voor minstens vijfhonderd euro. Zij daarentegen zal van de plaatselijke onderaannemer aan wie het naaiwerk is uitbesteed, voor datzelfde paar één euro en twintig cent krijgen. In contanten, zonder contract of premieafdracht.

Maar zij doet het in elk geval beter dan de andere naaisters uit dezelfde steeg, die schoenen laten zien die óók hoogwaardig zijn, maar waar in de zool het algemene Made in Italy is gestanst: zij krijgen amper vijftig eurocent per voltooid paar schoenen. Ze weten allemaal voor welke modehuizen ze werken, maar het merk zal er, zo leggen ze uit, nádat zij de schoenen hebben afgeleverd door iemand anders op worden aangebracht. Hoe dan ook, zeggen ze, het is beter om zwart te werken dan ‘je aan de regels te houden en een aangedikt loonstrookje te krijgen’, dat wil zeggen dat hun werkgever tot wel vijftienhonderd euro declareert, terwijl hun echte loon schommelt tussen de vier- en vijfhonderd euro per maand.

Het is een geolied mechanisme en kent geen met seizoenen, feestdagen of marktontwikkelingen samenhangende schommelingen. De aflever- en inleverdagen zijn maandag en donderdag: dan komt er iemand langs om de plastic zak op te halen, te controleren of er geen onvolkomenheden zijn en het werk voor de volgende dagen af te leveren. ‘Ieder van ons weet hoeveel schoenen ze in staat is te naaien en vraagt niet om meer, want het is van belang dat je netjes werkt en op tijd klaar bent,’ legt een andere vrouw uit, die met vier gezinsleden in een souterrain van een paar vierkante meter woont. Ze moet snel werken, vaak werkt ze ’s nachts door, en als ze het werk niet op tijd dreigt af te krijgen, roept ze de hulp in van haar net achttienjarige dochter. Om haar handen niet te veel te beschadigen draagt ze bij het werk leren handschoenen zonder toppen, zodat ze nog wel met de draden overweg kan.

In Buonabitacolo gaat het beroep van naaister over van moeder op dochter, van jongs af aan. ‘Ik ben begonnen op mijn achtste en vanaf dat moment ben ik nooit meer opgehouden, we waren met zeven kinderen en moesten onszelf onderhouden. Van mijn eerste verdiensten heb ik zelfs een brommer kunnen kopen,’ vertelt de naaister die met de Ferragamo-schoenen bezig is. Ze vindt dit soort thuiswerk minder vermoeiend dan toen ze elke ochtend in het busje van een koppelbaas stapte om in de Piana del Sele aan het werk te gaan als aardbeienplukster. ‘Als je thuis werkt,’ zegt ze, ‘kun je tenminste zelf je tijd indelen.’ Als ze 12 uur onafgebroken werkt, lukt het haar om maar liefst 25 paar te naaien, een per halfuur. Soms, als het ontwerp erg ingewikkeld is, komt ze niet verder dan tien, maar dan loopt de vergoeding ook op tot anderhalve euro.

Volgens de opstellers van het rapport The Real Cost of Our Shoes (gemaakt in opdracht van het Centro Nuovo Modello di Sviluppo en van de organisatie FAIR voor de campagne Change Your Shoes, die het maatschappelijk gedrag en het milieubewustzijn van schoenenmerken monitort) is de uitbuiting van de naaisters uit Buonabitacolo de prijs die wordt betaald voor het zogeheten reshoring, oftewel het terughalen van de productie van hoogwaardige producten naar Italië, na jarenlang te zijn verplaatst naar het Verre Oosten of Oost-Europa. ‘Hoewel de grote merken leveringscontracten afsluiten met slechts enkele ondernemingen, is het aantal bedrijven dat deel uitmaakt van de productieketen in werkelijkheid veel groter, omdat die ondernemers een deel van het werk weer doorschuiven naar bedrijven lager in de keten.’

‘Oorzaken die bijdragen aan dit fenomeen zijn de zeer korte leveringstermijnen en de zeer lage prijzen,’ schrijven de onderzoekers. ‘Hoe verder je afdaalt in de keten, hoe lager de prijzen zijn, omdat elke onderaannemer wat aan de volgende probeert te verdienen en zijn deel neemt van de prijs die is overeengekomen met de klant. En als de prijzen zo laag zijn dat ze zelfs de kosten van levensonderhoud niet kunnen dekken, betreden we de schimmige wereld van de ondergrondse economie, die wordt bevolkt door bedrijven die proberen geld te verdienen door hun werknemers, de fiscus en het socialezekerheidsstelsel op te lichten.’ In het onderzoek zijn merken tegen het licht gehouden als Geox, Prada en Tod’s (Ferragamo heeft de toegestuurde vragenlijst kennelijk niet beantwoord). Op deze manier is het Made in Italy gegarandeerd, maar is er met de overgang van Albanië of Bangladesh naar Zuid-Italië aan de werkomstandigheden niets veranderd.