Der Spiegel | Hamburg

Artsen in Congo voeren een gevaarlijke strijd tegen ebola. Terwijl het virus steeds beter te beteugelen is, ondervinden ze weerstand van de lokale bevolking. En die deinst nergens voor terug.

Op de laatste maandagochtend van februari, drie dagen voordat de strijd tegen ebola in oostelijk Congo in een regelrechte oorlog uitmondde, kijkt dr. Jean-Christophe Shako onder de verzengende zon in Katwa uit over de rokende puinhopen van de kliniek van Artsen zonder Grenzen, gelegen tussen eucalyptus­bomen en maïsvelden. Shako, hoofd ebolabestrijding in de stad Butembo, is de wanhoop nabij. Op zijn gezicht is een mengeling van angst en vermoeidheid te lezen. ‘De mensen hier willen gewoon niet onder ogen zien dat deze ziekte bestaat,’ zegt hij zacht, met gefronste wenkbrauwen. ‘Ze denken dat we hen met het vaccin doden, dat deze medische posten moordcentra zijn. Dat de overheid hun stam, de Nande, wil uitroeien.’ In de nacht is een groep van zo’n dertig man uit het regenwoud gestormd die de AzG-kliniek met pijlen en bogen en machetes heeft aangevallen. De patiënten werden weggevoerd. De aanvallers lieten pamfletten achter met daarop
de waarschuwing: ‘We hebben nog meer verrassingen in petto.’

Het behandelcentrum beslaat ongeveer één voetbalveld. Shako laat zijn blik over het verwoeste terrein gaan: zwartgeblakerde houten karkassen, vernielde generatoren, een uitgebrand autowrak. Drie dagen later ontvangt hij een whatsapp waarin staat dat hij als volgende aan de beurt is. Shako is een van de meest gerespecteerde epidemiologen van de Democratische Republiek Congo. Sinds augustus 2018 is hij door het ministerie van Gezondheid belast met de ebolabestrijding in de noordoostelijke provincie Noord-Kivu, het huidige epicentrum van de uitbraak. Onder zijn leiding proberen medewerkers van het ministerie van Gezondheid, de Wereldgezondheids­organisatie (WGO) en Artsen zonder Grenzen de een-na-grootste ebola-uitbraak in de geschiedenis te bedwingen. Alleen in de periode tussen 2013 en 2016 telde West-Afrika meer ebolagevallen. Tot dusver hebben 980 mensen het virus opgelopen, van wie er 610 zijn gestorven. Voor niets. Want met moderne medicijnen is de ziekte prima te bestrijden.

In 2015, tegen het einde van de epidemie in West-Afrika, werd een nieuw vaccin geïntroduceerd, met goede resultaten. In het oosten van Congo wordt het effectief gebleken vaccin nu voor het eerst grootschalig ingezet. Tot nu toe zijn 87.390 mensen gevaccineerd. Door middel van ringvaccinatie zou de epidemie in een mum van tijd te beteugelen zijn, ware het niet dat de ebolateams op bijkomende problemen stuiten: de oorlog en onwetendheid.

Ebola-artsen en -verplegers dragen altijd beschermende kleding en handschoenen. Het virus is hoogst besmettelijk. Het wordt overgedragen via lichaamsvloeistoffen van een geïnfecteerde persoon. Zodra de eerste ziekteverschijnselen zich aandienen, kan het virus overspringen; meer dan de helft van de ebolapatiënten sterft een pijnlijke dood. Epidemieën, zoals ook hier weer blijkt, zijn geen natuurrampen. Ze zijn het resultaat van menselijk falen. En er zijn maar weinig plekken op de wereld waar zo overduidelijk wordt gefaald als in oostelijk Congo. De Grote Afrikaanse Oorlog, die in 1998 begon en zo’n drie miljoen slachtoffers maakte, is hier feitelijk nooit opgehouden. Al decennialang woedt hier een slepend conflict tussen de regering en verschillende rebellengroepen. Het is voor het eerst dat ebola in een conflictgebied als dit is uitgebroken, wat de bestrijding bemoeilijkt. Meer dan honderd milities die de lokale bevolking terroriseren, zich schuldig maken aan verkrachtingen en elkaar in de heuvels van Noord-Kivu naar het leven staan om goud, coltan, geld en macht, staan de uitroeiing van de ziekte in de weg. 

Vanaf een houten vlonder die naar benzine ruikt, kijkt Shako naar de restanten van de opslagplaats van het vaccin die gisteravond volledig is verwoest. Zijn grootste vijand is niet langer het virus, zegt hij, maar ‘onwetendheid. De denkwereld hier wordt gegijzeld door zwarte magie, complottheorieën en politieke leiders die het virus voor hun eigen karretje spannen.’ De groep toeschouwers die de ravage vanachter de hekken om het terrein met voldoening bekijkt, wordt steeds groter. Shako moet terug naar het hoofdkwartier in Butembo om een ontmoeting met een aantal Mai-Mai-militieleiders voor te bereiden. ‘Ik moet mijn mensen beschermen,’ zegt hij. AzG-medewerkers in hun beschermende pakken en rubberlaarzen beginnen met de ontsmetting van de nog overeind staande gebouwen. De woede onder de omstanders neemt toe.

‘Ga maar weg!’ schreeuwt een vrouw, haar gezicht vertrokken van boosheid.

‘Ebola bestaat niet!’ roept een ander.

Gratia Kalungero, een keurig geklede jongeman in een strak shirt en een strakke blauwe broek, staat midden in de menigte. Kalungero, afgestudeerd psycholoog en risicovoorlichter van de WGO, is een van de mensen die Shako moet beschermen. Hij arriveert als eerste in de dorpen, vóór de ambulances die de dode lichamen komen ophalen, vóór de ontsmettings- en vaccinatieteams verschijnen, om de dorpelingen gunstig te stemmen. Om hun uit te leggen dat deze mensen in hun beschermende pakken het niet op hen hebben gemunt, dat ze hen juist komen redden. Het halve dorp lijkt zich bij de verwoeste kliniek te hebben verzameld; hij staat in een kring van vijftig mensen, misschien zelfs meer. ‘Jullie moeten de klinieken niet aanvallen,’ zegt Kalungero. ‘Dan zal het virus zich sneller verspreiden.’