The New Yorker  | New York

De man die naar verwachting de volgende premier van het Verenigd Koninkrijk zal worden, steekt de draak met iedereen die aan de touwtjes trekt, behalve met zichzelf. Zien wij dan niet dat hij een uitzondering is, vrijgesteld van de vele verplichtingen waaraan alle anderen moeten voldoen? Journalist en schrijver Sam Knight keek verder dan de blonde lokken van Boris Johnson en schreef een meeslepend portret.

In het voorjaar van 1989 stuurde The Daily Telegraph Alexander Boris de Pfeffel Johnson naar Brussel om verslag te doen van wat destijds de EEG was, de Europese Economische Gemeenschap. Johnson, die 24 was, kende de stad goed. Zijn vader, Stanley, was een van de eerste Engelse bureaucraten geweest die werden aangewezen om bij de Europese Commissie te gaan werken, nadat het Verenigd Koninkrijk zich in 1973 bij dat blok had aangesloten. Boris, zijn ouders en de drie jongere kinderen verhuisden naar België toen hij negen was. Ze kwamen terecht in een slaperige gemeenschap van expats. Johnson was een slim kind. Hij leerde accentloos Frans praten.

Toen Johnson terugkeerde naar Brussel, nodigde zijn vader een ervaren Brussel-correspondent, Geoff Meade, uit voor de lunch in het grote huis waar het gezin woonde, niet ver van Waterloo. Meade en zijn vrouw hadden net een drankje ingeschonken gekregen, toen er een taxi voor de deur stopte. ‘We wisten niet dat er nog iemand was uitgenodigd en we keken er dan ook nogal van op toen er een onwaarschijnlijk blonde jongen in een schreeuwerige bermuda uit die taxi stapte. Het is een beeld dat ik nooit zal vergeten’, verhaalt Meade in Just Boris: A Tale of Blond Ambition, de meeslepende biografie die Sonia Purnell in 2011 uitbracht van de man die naar verwachting de volgende Britse premier wordt. ‘Maar tijdens de lunch werd me duidelijk dat ik was uitgenodigd als de oude rot in het vak die als kruiwagen moest dienen voor Boris.’

Purnell heeft nauw met Johnson samengewerkt op het Brusselse kantoor van The Telegraph, en haar portret van de politicus als jonge verslaggever maakt een onuitwisbare indruk. Aanvankelijk voelde Johnson zich verloren. Hij was ontslagen bij The Times in Londen, zijn eerste baan, omdat hij een citaat had verzonnen over Edward II die iets zou hebben gehad met een jongen, en dat citaat had toegeschreven aan zijn peetvader, een don in Oxford. Johnson was een chaoot zonder al te veel journalistiek talent. Maar hij had gevoel voor humor en een feilloos oog voor het andere verhaal. In een verzameling van zijn journalistieke stukken, Lend Me Your Ears (2003), beschrijft Johnson een vrijemarktaanpak bij het uitproberen van meningen: ‘Er is altijd wel iemand die tegen de heersende mening in wil gaan, die juist wil kopen als de aandelen laag staan.’

Johnson realiseerde zich dat de conventionele manier van schrijven over alle procedures binnen de EEG (die in 1993 werd omgedoopt tot de Europese Unie) respectvol, accuraat en saai was. Hij koos voor een andere strategie.

Zes maanden nadat hij in Brussel was gearriveerd, begon Johnson met het schrijven van insinuerende, overtrokken stukken, waarin hij het Europese project wegzette als bureaucratische waanzin. Slakken moesten doorgaan voor vis, schreef hij. Berlaymont, het hoofdkwartier van de Europese Commissie, moest worden opgeblazen. De maten van condooms zouden moeten worden gestandaardiseerd. ‘De Europese Commissie heeft het Italiaanse voorstel afgewezen om een maximale condoombreedte in te stellen van 54 millimeter’, deed Johnson verslag in The Telegraph van 8 mei 1991. ‘“Dit is een bijzonder serieuze aangelegenheid,” aldus Willy Hélin, woordvoerder van de commissie voor standaardisering van industriële normen.’

Johnsons verhalen zorgden voor veel opschudding. Zijn Engelse concurrenten werden opgezweept om ook met dergelijke verhalen op de proppen te komen, waar ze echter niet in slaagden, aangezien Johnsons stukken meestal op niets waren gebaseerd. Hij was een opmerkelijke figuur, haast een karikatuur van zichzelf. Hij reed in een gebutste, rode sportwagen. Er zaten gaten in zijn kleren. Hij kwam te laat op persconferenties en sprak met opzet hakkelig Frans. De Europese ambtenaren wisten zich geen raad met hem. ‘We proberen zijn verbale aanvallen te pareren,’ zei een van hen. ‘Het punt is alleen dat onze antwoorden niet grappig zijn.’