Neue Zürcher Zeitung  | Zürich

Grootverbruiker Frankrijk is vanwege de streng gereguleerde visvangst genoodzaakt de sint-jakobsschelp te importeren van de Engelsen. Beter is de schelp handmatig van de bodem te plukken.

‘Hoe laat is het?’ vraagt Wally Wade, terwijl hij een paar oranje handschoenen aantrekt en elastiekjes over zijn polsen schuift. Die moeten zijn wetsuit afsluiten. ‘57,’ antwoordt Victor Coutin. Wade staat samen met zijn collega Jean-Elie Saux in duikersuitrusting aan de reling van de Ki Dour Mor. Het is een druilerige dag, amper 10 graden, maar de zee in de Baai van Saint-Brieuc is rustig. ‘Toe maar,’ zegt Coutin na een korte blik op zijn horloge. Zijn twee werknemers laten zich achterover in het water vallen en zijn meteen verdwenen. Coutin zal hen in de komende vijf kwartier maar één keer zien om hun zuurstoffles te verwisselen.

Coutin is kapitein en eigenaar van de Ki Dour Mor, een kleine boot waarmee hij in de Baai van Saint-Brieuc op sint-jakobsschelpen en zeeoren vist. Het is het op een na belangrijkste vangstgebied langs de Franse kust, na de baai van de Seine, verder naar het oosten in het Kanaal. Coutin is in de streek geboren en getogen, maar voordat hij koos voor een baan op zee, volgde de hartstochtelijke duiker een opleiding tot steenhouwer.

Pas toen hij toevallig een keer mee mocht op een trawler, wist Coutin wat hij echt wilde.

Jarenlang werkte hij als matroos op een trawler, tot hij besloot voor zichzelf te beginnen. Nog voordat hij zijn plannen had verwezenlijkt, verbrijzelde hij bij een ongeluk aan boord een enkel. Nog herstellende sleepte hij een van de spaarzame vergunningen voor het vissen op sint-jakobsschelpen in de wacht. De 29-jarige Coutin hinkt nog altijd, maar hij heeft geen spijt van zijn besluit. Met behulp van Europese subsidies en een lening bij de bank kocht hij de Ki Dour Mor – Bretons voor ‘zeeotter’ – en de noodzakelijke uitrusting, voor in totaal circa 60.000 euro. Zelf hoefde hij maar 5000 euro bij te leggen. Het begin was moeizaam, ook financieel. Maar in zijn tweede seizoen kan Coutin met Wade en Saux al twee seizoenarbeiders in dienst nemen.

Aan de Côtes-d’Armor is het seizoen voor het schelpenvissen in oktober begonnen. Het loopt tot half april. In de zomer wordt de populatie schelpdieren met rust gelaten, zodat ze zich kunnen voortplanten. In Frankrijk zijn de regels voor de vangst van jakobsschelpen aan het eind van de vorige eeuw aangescherpt, toen hun biomassa een historisch dieptepunt had bereikt. Sindsdien mogen de scheepsmotoren niet te krachtig zijn en de netten niet te groot. De vissers mogen maar twee dagen per week uitvaren, op maandag en woensdag, en binnen een duidelijk vastgesteld tijdschema. De tijden variëren met de getijden. Nu, eind maart, valt het startschot om 12 uur ’s middags. Vangstquota worden per seizoen en regionaal vastgesteld. Ambtenaren van de prefectuur controleren vanuit een vliegtuig en met verrekijkers vanaf de kust of de vissers zich aan de vastgestelde tijden houden.

Voor Coutin en zijn twee werknemers is dat vijf kwartier, waarin ze maximaal 400 kilo jakobsschelpen mogen vangen – of ‘plukken’, zoals Coutin zegt. Hij is een van de slechts tien vissers aan de Côtes-d’Armor die naar jakobsschelpen duiken, die handmatig van de bodem losmaken en in netten leggen. De grote meerderheid van zijn collega’s, onder wie ook zijn broer, vangt de schelpen met sleepnetten. De traditionele vissers drijven de spot met hen, zegt Coutin. Maar ze zijn hun wel altijd weer dankbaar wanneer ze hun netten losmaken als die in de diepten van de baai vast zijn komen te zitten. En dat gebeurt vaak.