The Economist  | Londen  

De energie-industrie zet zich schrap voor een roerige toekomst, behalve Zuid-Amerikaanse staatsoliebedrijven, die blijven in het verleden hangen.

Olie, hoor je vaak, kan een land zowel rijkdom als narigheid brengen. In Venezuela, volgens sommige maatstaven het land met de grootste oliereserves, is het al een tijdlang vooral narigheid. Petróleos de Venezuela (PDVSA) zag zijn productie pieken in 1998, toen Hugo Chávez tot president werd gekozen. In de jaren die volgden joegen de linkse volkstribuun en zijn autoritaire opvolger Nicolás Maduro de internationale partners tegen zich in het harnas en plunderden de kas.

Een grootscheeps Amerikaans onderzoek naar omkoping binnen het bedrijf heeft tot dusver meer dan twintig mensen in staat van beschuldiging gesteld. Sinds januari, toen de Verenigde Staten zware sancties tegen PDVSA aankondigden, is de productie gedaald tot het laagste niveau per inwoner sinds circa 1920. Ondertussen lijden miljoenen Venezolanen onder een gebrek aan voedsel en basismedicijnen.

Een overzicht van de door de staat gecontroleerde energiereuzen in Zuid-Amerika, die goed zijn voor 10 procent van de wereldwijde olieproductie en 20 procent van de aantoonbare reserves, laat zien dat het wanbeleid zich niet beperkt tot Venezuela. Vijf jaar na het instorten van de olieprijs blijft de productie in een groot deel van de regio ondermaats, al moet worden gezegd dat de industrie met een ongeëvenaarde ontwrichting wordt geconfronteerd. Bezorgdheid over CO2-emissies en de opkomst van elektrische auto’s betekenen dat zorgen over maximale levering inmiddels zijn vervangen door zorgen over maximale vraag.

Drie problemen

Zo’n 90 procent van de wereldwijde olie- en gasreserves is in staatshanden. Daar wordt op verschillende manieren mee omgegaan, zoals Zuid-Amerika laat zien. In Guyana, de jongste oliestaat in de regio, nadert de productie een hoogtepunt na de ontdekking in 2015 door ExxonMobil, maar het land moet nog een eigen oliemaatschappij in het leven roepen. Het Mexicaanse Pemex, daarentegen, werd al in 1938 opgericht als een monopolistisch staatsbedrijf.

Andere landen kennen zowel staats-bedrijven als particuliere, die vaak een ongemakkelijke verhouding met elkaar hebben. De Braziliaanse staatsgigant Petrobras gaf in 2000 aandelen uit in de VS. Zijn Argentijnse en Colombiaanse tegenhangers hebben ook particuliere minderheidsaandeelhouders. In Ecuador is meer dan 80 procent van de olieproductie in staatshanden. Perupetro, het Peruaanse staatsbedrijf, houdt toezicht op de exploratie en productie door particuliere bedrijven.

Venezuela, dat zijn oliesector in de jaren negentig heeft opengesteld, maakte in 2006 bekend dat PDVSA een meerderheidsaandeel zou nemen in de olievelden die door buitenlandse bedrijven werden geëxploiteerd. Onder meer BP en Chevron gingen akkoord; ExxonMobil en ConocoPhillips haakten af.