Shunpo Monthly  | Hongkong

Sinds de teruggave aan China heeft Hongkong al heel wat vreedzame bewegingen gekend. Deze keer staat solidariteit voorop bij een generatie die strijdt voor de vrijheid.

Het aantal betogers is voor het bestuur van Hongkong lange tijd een barometer voor de publieke opinie geweest, waarop het zijn beleid kon afstemmen; het gebeurde maar zelden dat er geen rekening mee werd gehouden. Zodoende hebben de massale betoging van 1 juli 2003, tegen een nieuwe antisubversiewet (vijfhonderdduizend deelnemers), en die van 2012, tegen de invoering van patriottistische lessen in het onderwijs-programma, ertoe geleid dat de autoriteiten op hun voornemen terugkwamen. Het merendeel van de bewoners van Hongkong was altijd voorstander van een ‘vreedzame, redelijke en geweldloze’ manier van demonstreren om haar eisen kracht bij te zetten en het bestuur tot inkeer te dwingen.

Deze consensus heeft voortgeduurd tot de ‘paraplubeweging’ van 2014. Hoewel Benny Tai, Chan Kin-man en Chu Yiu-ming, de drie grote mannen van de Occupy Central-beweging, hadden opgeroepen tot burgerlijke ongehoorzaamheid, droegen ze er zorg voor dat het protest geweldloos zou blijven. Maar toen het Nationaal Volkscongres, het parlement van China, het ‘wettelijk kader van 31 augustus’ publiceerde dat voorzag in een ‘algemeen kiesrecht’ waarbij de kandidaten voor sleutelposities in het bestuur van Hongkong zouden worden aangewezen door Beijing, trad er een scheuring op tussen de radicale factie en de voorstanders van een ‘vreedzame, redelijke en geweldloze’ koers, die de beweging de doodsteek toebracht.

Demonstranten in Hongkong dragen ooglapjes uit solidariteit met een mededemonstrant die zijn oog is verloren door een rubberkogel. © Kin Cheung / AP Photo