El Universal  | Mexico Stad 

Met het overlijden van maestro Francisco Toledo verdwijnt niet alleen een begenadigd kunstenaar, maar ook een mensenrechtenactivist, inspirator, organisator en de belichaming van burgerlijke ongehoorzaamheid. Belasting betaalde hij met zogenaamde ‘strontschriften’, cuadernos de la mierda.

Toen Francisco Toledo (1940-2019) in 1965 vanuit Parijs terugkeerde naar Mexico was een lofzang op zijn kunst van landgenoot en Nobelprijswinnaar Octavio Paz hem vooruitgesneld. Toledo heeft een nieuwe stijl gecreëerd waarmee hij met een eigentijdse blik de onderwerpen en stijlen van de indiaanse codices herneemt. Hij was niet alleen een maestro van de beeldende kunst, hij wees Mexico ook de weg in de kunst, zo schreef Paz in zijn lovende artikel.

Maar Mexico-Stad was niet goed voor Toledo. De stad liet hem voelen wat het betekent om Indiaan te zijn in een land van brute mestiezen. Ik vertel dit uit de eerste hand, want rond die tijd begonnen we met elkaar om te gaan.

De ober van café Viena, waar we vaak samen aten, vroeg mij – ik moet een jaar of 30 zijn geweest – of ik de rekening wilde betalen. Dat de man met de warrige haardos, gekleed in spijkerbroek en dito hemd en op leren sandalen, altijd betaalde deed er niet toe. De ober baalde omdat Francisco op zijn linnen servet had getekend. Dat Toledo elke keer het servet vergoedde, deed er evenmin toe.

Toen we ons in het waterpark Las Estacas in het ijskoude rivierwater lieten zakken, kwam een politieagent hem vertellen dat hij er ogenblikkelijk uit moest. Indianen mogen hier niet zwemmen, zei de agent terwijl hij toekeek hoe Francisco gedwee de met gras begroeide kant op klom.