True Story Award  | Bern

Du Qiang ging undercover in het Sanhe-district van de Chinese fabrieksstad Shenzhen om vat te krijgen op een groep arbeidsimmigranten, de zogenaamde ‘Sanhe-goden’ die daar rondhangen.

De goden hebben gebroken met alles en iedereen, sommigen hebben zelfs hun ID-kaart verkocht. Ze slijten hun dagen in internetcafés.

Vlak voor het Lentefestival van 2011 ging ik naar huis om het graf van mijn grootmoeder te verzorgen. In mijn geboortedorp liep ik jeugdvriend Wang Lang tegen het lijf. Vanaf het moment dat ik naar Beijing was vertrokken om te gaan studeren, was ik voortdurend bang dit soort jeugdvrienden tegen te komen. Ik vond het een ongemakkelijke situatie.

‘Ben je naar Guangdong gegaan om werk te zoeken?’ vroeg ik hem.

Wang Lang haalde zijn linkerhand uit zijn mouw en tekende een acht in de lucht [in de Chinese cultuur staat het cijfer acht voor voorspoed en rijkdom]. Omdat hij zag dat ik het niet begreep, draaide hij zijn hand om. ‘Ik ben drie vingers kwijt. Tienduizend per vinger, als schadeloosstelling.’

Toen we jong waren, kwam Wang Lang geregeld langs met gestoomde broodjes en dan bleef hij bij mij thuis videospelletjes spelen. Zodra hij de voetstappen van zijn vader hoorde, verstopte hij zich onder mijn bed. Wang Lang was niet goed in Double Dragon of Super Mario. Zijn poppetje viel vrijwel meteen in een vuurkuil, waarna hij alleen nog maar op het bankje kon zitten toekijken hoe ik speelde. Het kan zijn dat hij te veel opging in het spel. Wanneer het echt spannend stak hij zijn hand in zijn onderbroek en speelde met zwarte, plakkerige vingers met zijn piemel. Nog voor zijn vijftiende verliet hij ons dorp op zoek naar werk. Voor de laatste vier jaar van de middelbare school verhuisde ik naar de stad. Ik heb nooit echt kunnen wennen aan het stadsleven en ik vond het heel naar dat ik geen schoenen had. Ik schreef een keer in een opstel dat ik liever weer terug naar het platteland zou gaan om maïs en graan te verbouwen. Mijn leraar Chinees gaf me een heel goed cijfer voor dat opstel en had in de kantlijn geschreven: ‘Niet teruggaan, hoor!’

Valse verwachtingen

Zeven jaar later vond ik een goede baan en net als mijn vrienden leid ik inmiddels een prima bestaan. Ik schaam me niet langer voor mijn verleden en ik heb het gevoel dat ik de ketenen van mijn afkomst heb afgeworpen en dat ik een ‘vrij man’ ben. Maar telkens wanneer ik lees over arbeidsmigranten, moet ik denken aan de drie vingers van Wang Lang. Ik ben gaan begrijpen dat er maar dít hoeft te gebeuren of mijn leven ziet er net zo uit als dat van hem.

In de zomer van 2017 heb ik mijn meest afgetrapte schoenen en mijn meest groezelige T-shirt uit de kast gehaald – een groen shirt van Uniqlo, met korte mouwen en een draak op de voorkant. De schoenen waren betrekkelijk nieuwe Converse-gympen die ik maar een week of zo had gedragen en toen in de kast had gezet omdat ze doorweekt waren geraakt in de regen. Ik was van plan ze aan te trekken naar Shenzhen, waar ik aan den lijve wilde ondervinden hoe het is om een arbeidsmigrant te zijn.

Dat hoort natuurlijk allemaal bij het leven van een non-fictieauteur. Vanaf het moment dat ik mijn spullen heb gepakt, kom ik niet meer helemaal los van het gevoel dat ik in zekere zin hypocriet bezig ben. Tegen wil en dank ben ik gelukkig en voel me superieur. Ik kijk neer op anderen, denk nogal hypocriet dat ik een zekere verantwoordelijkheid draag, of het is nog iets anders, waarvan ik me niet bewust ben. In de maanden die volgen blijken mijn angsten ongegrond: in plaats daarvan gebeuren er heel andere dingen, dingen om razend van te worden.

Voor mijn vertrek was ik behoorlijk zelfverzekerd. Ik was gewend om op het platteland te wonen dus ik zou niet snel door de mand vallen, dacht ik.