Le Monde | Parijs

Nederlandse vrouwen zijn Europees kampioen deeltijdwerken. Daar kijkt men in het buitenland vreemd van op. Le Monde bijvoorbeeld, noemt naast het fenomeen bakfietsmoeder, ‘die andere Nederlandse eigenaardigheid: het grote aantal vrouwen dat in deeltijd werkt.’

Nietsvermoedende voetgangers schrikken zich steeds weer een hoedje. Twee keer per dag nemen fietsen in alle kleuren en maten met de regelmaat van de klok bezit van de Amsterdamse, Rotterdamse en Utrechtse straten. Sommige van deze tweewielers zijn voorzien van langwerpige bakken, waarin zich één, twee of drie jonge kinderen vastklampen, met achter hen op de trappers – meestal – hun moeders.

In de kranten zijn deze zogenaamde ‘bakfietsmoeders’ een prominent thema. Voor de een symboliseren zij de veryupping van de stadscentra, voor de ander die andere Nederlandse eigenaardigheid: het grote aantal vrouwen dat in deeltijd werkt.

In vergelijking met Parijs, Londen of Stockholm zijn de cijfers inderdaad vrij schokkend: begin 2019 werkte 75,5 procent van de Nederlandse vrouwen volgens Eurostat in deeltijd (bijna drie keer zoveel als de mannen met 27,5 procent). Ter vergelijking: slechts 28,5 procent van de Françaises (en 7,8 procent van de Franse mannen), 32,8 procent van de Zweedse vrouwen (13,6 procent van de mannen) en in de Eurozone als geheel 35,5 procent (9,4 procent van de mannen) werkte in deeltijd. Helemaal eigenaardig is het omdat bedrijven klagen dat ze door de lage werkloosheid – slechts 3,4 procent in juli volgens Eurostat – niet genoeg personeel kunnen vinden. Toch kiezen maar weinig van deze bedrijven ervoor om vrouwen meer voltijdbanen aan te bieden. ‘En dat is raar, want Nederland maakt zich als bijna geen ander Europees land sterk voor gelijke kansen,’ merkt Blandine Mollard van het European Institute for Gender Equality (EIGE) op. ‘Op veel terreinen, vooral de arbeidsmarkt, heeft Nederland een hardnekkige achterstand.’

Om te begrijpen hoe dat komt moeten we een paar decennia teruggaan. De gezonde arbeidsmarkt en de florerende economie (0,5 procent groei in het tweede trimester) in Nederland, hebben veel te danken aan het Akkoord van Wassenaar, dat in 1982 tussen de regering en de sociale partners werd gesloten. In die tijd zat de economie diep in het slop. ‘Om de concurrentiepositie te versterken, accepteerden de vakbonden loonmatiging en een groei van het aantal deeltijdbanen,’ legt econoom Paul de Beer van de Universiteit van Amsterdam uit. Binnen huishoudens werd de bevriezing van het salaris van de man vaak opgevangen met een deeltijdbaan van de vrouw. In die tijd zag men dat als een teken van emancipatie, zo konden ze immers werk en gezin beter combineren.

Strikte taakverdeling

Tot dan toe hadden ze zich vooral met dat laatste beziggehouden. De meeste Nederlandse vrouwen maakten in vergelijking met Franse of Britse pas vrij laat hun entree op de arbeidsmarkt. ‘Dat was deels het gevolg van de protestantse traditie en de cultus van het gezin, die heel sterk is in Nederland sinds de zeventiende eeuw,’ vertelt historicus Christophe de Voogd. ‘Door onze neutraliteit in de Eerste Wereldoorlog hoefden vrouwen niet het werk over te nemen van de mannen die aan het front vochten, ze bleven gewoon thuis,’ aldus Esther de Jong, die werkt voor het Kennisinstituut voor Emancipatie en Vrouwengeschiedenis Atria. ‘Na 1945 bleef er een strikte taakverdeling bestaan: de man verdiende het geld om het gezin te onderhouden en de vrouw deed het huishouden.’ Vrouwelijke ambtenaren die gingen trouwen verloren bijvoorbeeld tot in 1957 automatisch hun baan.

Door de opkomst van het deeltijdwerk steeg in Nederland het percentage vrouwen dat werkte van minder dan 40 procent in 1982 tot 75 procent nu. Het ligt daarmee hoger dan het gemiddelde van de eurozone (66 procent). ‘Maar gek genoeg is het ook het land waar vrouwen het minste aantal uren maken,’ vertelt Wieteke Graven van adviesbureau McKinsey, die een rapport schreef over het onderwerp. ‘Dat komt vooral doordat de instellingen in ons land het als het nieuwe normaal zijn gaan zien. Ze stimuleren hen niet om voltijds te gaan werken.’

De lestijden van de basisscholen maken het er niet gemakkelijker op: kinderen zijn al om drie uur vrij. En het systeem van de kinderopvang is er al evenmin op berekend; de kleintjes zitten er meestal maar twee à drie dagen per week. Deels ligt dat aan de prijs; kinderopvang slokt volgens de OESO 20 procent van het nettosalaris van de ouders op, tegen 10 procent in Frankrijk en 4 procent in Zweden. ‘Maar een andere reden is dat veel ouders de crèche als een soort kinderoppas zien, niet als een plek waar aan onderwijs en opvoeding wordt gedaan. Dus zijn ze huiverig om hun kinderen er de hele week achter te laten,’ vertelt Gjalt Jellesma, woordvoerder van de vereniging van crèche-ouders BOinK.

Nederlanders vinden het dan ook niet meer dan normaal als moeders toch zeker één à twee dagen per week (buiten het weekend) met de kinderen doorbrengen en bereid zijn om daar werktijd voor op te geven. Uit enquêtes blijkt dat hierover een consensus bestaat, ook onder vrouwen. ‘Nee, ik wilde absoluut niet voltijds werken,’ vertelt Geralyn Fernandez, moeder van twee zoons van vier en anderhalf, die vier dagen per week als secretaresse werkt bij een onderzoeksinstituut. ‘Ik wil graag zelf zo veel mogelijk voor mijn kinderen zorgen en bijdragen aan hun ontwikkeling.’